elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bandelen

bandelen , [hoepelen] , bandelen , Hoepelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bandelen , baandln , werkwoord, zwak , met hoepel spelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bandelen , bandele , bandelen. (met een drijfstangetje om een grote ijzeren ring.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bandelen , bândele , mit en stökske en fietsevelling ánt loëpe hâlde en doa âchterá renne.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
bandelen , bandele , werkwoord , hoepelen (kinderspel) (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal