elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bangen

bangen , bangn , werkwoord, zwak, wederkerig , bang zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bangen , bange , bang zijn Daor hoefde nie um te bange Daar hoef je niet bang zijn voor te zijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bangen , bange , werkwoord , bang zijn (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bangen , bange , zwak werkwoord , bange - bangde - gebangd , ergens bang voor zijn, iets vrezen, meestal met ontkenning: je hoeft niet bang te zijn dat...; Ge hoeft nie te bange, as onze paa tèùs is. - Je hoeft niet bang te zijn, als vader thuis is ....want ge hoeft nie te bangen dè ze in Brussel [bij een voetbalwedstrijd] 'nen Hollander 'n overwinning kedoo geve. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929); Ge hoeft niet te bangen dè ge 'n preces zult krijge... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929); A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bange(n) zw.ww.intr. (alleen in de infinitief gebruikt) - bang zijn (dat), vrezen voor, denken (dat) .WNT BANGEN - bedr. en onz. ww., thans verouderd. Bedr.: benauwen, beklemmen; onz.: benauwd, angstig wezen; Haor. BANGE - bang zijn, erop rekenen. Nie vur te bange - niet op rekenen; • zelfstandig naamwoord; angst - meestal met 'hebben'; Cees Robben – Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... (19641127); Cees Robben – Het mar ginne bange degger tussen uit nept, Jaon... (19720519)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal