elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: batsen

batsen  , batse , bats, bats, bats, batsde, gebats , bij het beugelen er langs slaan.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
batsen , batsen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. botsen, stoten Wie batsten mit de kop tegen mekaor an (Erf) 2. slaan Bats hum veur de kop, as e je anwil (Hijk) 3. vallen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Hij batste met geweld van de helling of (Hijk) 4. smijten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Hij batste de rommel op de grond 5. baggeren (Midden-Drenthe) Loop niet zo deur het waoter te batsen (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
batsen , [met veel lawaai lopen] , batse , hard door plassen lopen waardoor het water opspat , dur da batse wor-dun aander ok nog nat = door dat opspattend water wordt een ander ook nog nat-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
batsen , batse , werkwoord , moeizaam door modder of water lopen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal