elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beduiden

beduiden , beduden , bedoun , (= beduiden); ’k zel die ’t wel beduden = ’t u wel leeren, ’k zal u er wel toe noodzaken als gij ’t niet vrijwillig doet; bedee (Hoogeland), voor: beduidde; echter niet algemeen, veelal: bedudde. Van: bedoun, voor: beduiden: wat zel dat nō bedoun? = waartoe zal dat dienen! Meer hoort men: wat dat nō bedee!; bedut = beduidt, van beduiden; ’k wijt nijt wat dat bedut = ik weet niet waar dat toe dienen moet, wat plan men er mee heeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beduiden , bedü̂jen , Beteekenen. Is daor rü̂? Jao, maor ’t hef n(i)eet vö̀lle te bedü̂jen. Zîn z(i)eekte hef n(i)eet vö̀̀lle te bedü̂jen. Ook z.n.w. Ister nòg èten aoverebléven? N(i)eet van bedü̂jen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
beduiden , bedü̂jen , Beteekenen. Is daor rü̂? Jao, maor ’t hef n(i)eet vö̀lle te bedü̂jen. Zîn z(i)eekte hef n(i)eet vö̀lle te bedṻjen. Ook znw. Ister nòg èten aoverebléven? N(i)eet van bedü̂jen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
beduiden , beduun , werkwoord, zwak , 1 betekenen, beduiden, 2 door teken te kennen geven, 3 opstapeling van stenen in de oven ter weerszijden van de vuurganger
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
beduiden , beduîje , betekenen Dè beduîje nie zò veul. Dat betekenen niet zo veel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
beduiden , beduun , beduun, beduud , beduiden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
beduiden , beduun , beduden , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook beduden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. duidelijk maken As ene iets niet begrip, dan mèuj proberen, aaj hum dat beduden kunt (Hol), Ik har hum goed bedud, hoe as het mus (Koe), Hij hef mij bedud dat ik bij hum mus kommen (Erm) 2. betekenen Dat het niks te beduden (Ass), Wat zul dat alarm nou weer beduden (Scho), Ik heb een arfenis kregen, niet dat het wat bedudt voorstelt (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beduiden , beduien , aanduiden.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
beduiden , beduden , bedûûn , beduiden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bedûûn
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
beduiden , beduun , 1. te betekenen hebben. Wat hef dât kleine bettien volk te beduun teeg’naover zon groot leger? 2. aanduiden. Ik zal ’t oe gauw beduun, hoe iej der ’t gauwste kunt komm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
beduiden , bedieje , duidelijk maken , Héij wul wa bedissele, héij zal’t óns wél’les éfkes perbiire te bedieje. Hij wil wat regelen, hij zal het ons wel eens proberen duidelijk te maken.
Verleden tijd bedóóje. De baos bedóóje de érbaojers dés’se wa vórt moesse maoke, ‘t zoow gôn sneuwwe. De bazen vertelden de arbeiders dat ze op moesten schieten, het zou gaan sneeuwen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
beduiden , beduden , werkwoord , 1. duidelijk maken 2. aanwijzen 3. inhouden, betekenen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
beduiden , bedieje , werkwoord , duidelijk maken (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
beduiden , beduije , zwak werkwoord , beduiden; Ötbeduije: contaminatie uit uitleggen en beduiden; B beduije - beduide - beduid; ik bedui, gij/hij beduit
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal