elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: behemelen

behemelen , behemmeln , rein houden, schoonhouden; iemand behemmeln sluit niet alleen in zich: hem bewasschen, maar ook: het schoonhouden en in orde houden van alles waarvan hij dagelijks gebruik maakt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
behemelen , behemmeln , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. verzorgen, schoonmaken Zij hebt heur ewassen en behemmeld (Noo), Klaain kinder mout, as ze met de boks vol loopt, behemmeld worden (Eev) 2. aanpakken (Pes) Ik zal hum wel ies behemmeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
behemelen , behemmelen , werkwoord , 1. door schuld te bekennen, vergoelijkend, relativerend te praten de boosheid of de scherpte van een tegenstelling uit de weg ruimen of voorkomen 2. opeten, stukjes vlees van een karbonade eten e.d. 3. opruimen, schoonmaken 4. opsnoeien, door af of bij te snijden glad maken 5. voor elkaar brengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
behemelen , behimmele , werkwoord , prijzen, bewerkstelligen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal