elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beidegaar

beidegaar , beide-gaar , voor alle-beide. Het is zeer oud.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
beidegaar , baidegoar , zie: baid. Kil. beydegaders. Middel-Nederlandsch beidegader, onbepaald telwoord = alle twee, beiden te zamen (Verdam.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
beidegaar , beidegaar , (baiǝgaar) , (onbepaald telwoord) , Allebei, beide te zamen. Ook beitegaar, d.i. beî te gader. || Ik heb ze beiegaar ’esproken. – Evenzo elders in N.-Holl. en in het Stad-Fri. Zie ook Mnl. Wdb op beidegader.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
beidegaar , baaiegaâr , onbepaald telwoord , Beide(n), allebei. Vgl. Fries beidegearre.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
beidegaar , bèèjgaar , telwoord , beide (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal