elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bekwaam

bekwaam , bekwaom , (bijvoeglijk naamwoord) , bekwaam.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bekwaam , bekwoam , geschikt, van bouwland gezegd; ’t land is bekwoam = de grond is geschikt ter bewerking, nl. droog genoeg; ook Over-Betuwsch; hoast nooit bekwoam wezen = bijna altijd dronken zijn; tot alles bekwoam wezen = tot alles in staat zijn, in ongunstigen zin. Zie: onbekwoam.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bekwaam , bekweem , voor: bedaard, ingetogen, tegen gewoonte fijn, van vrouwen of meisjes gezegd; synoniem met bedesd, dat meer gemaaktheid veronderstelt. – Ook: zich, na terechtgezet te zijn, welvoegelijk gedragend. Nedersaksisch bequem = verdraagzaam, vreedzaam; bekwümtjes = deemoedig, niets te zeggen hebbende; Hoogduitsch bequem = passend, wat geschikt, gemakkelijk is; Deensch bequem = geschikt, zich gaarne voegende; Zweedsch bequüma = zich schikken, voegen; Middel-Nederlandsch bekwaam = aangenaam, behagelijk, bevallig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bekwaam , bekwaom , Nuchteren.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bekwaam , bekwaom , Nuchteren.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bekwaam  , bekwaom , bekwaam.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bekwaam , bekwaom , bekwaam, niet dronken, week, buigzaam, soepel, makkelijk, geschikt
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bekwaam , bekweem , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , soepel, van handen bij werk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bekwaam , bekwoam , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , geschikt, bevoegd. Oarns too bekwoam wean, ergens toe in staat zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bekwaam , bekweem , bekweemkes, bekweempjes , 1. rustig, stil. 2. mager, ziekelijk. 3. bescheiden. 4. schijnheilig
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bekwaam , bekwaom , bijvoeglijk naamwoord , bekwaam, in staat zijn. 1. Z’n kènder zèn bekant bekwaom. Ze kunnen bijna op eigen wieken drijven. 2. Fons ha zoveul gezoope dèttie niemer bekwaom waar. Fons was nergens meer toe in staat.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bekwaam , bekwoam , 1. wordt gezegd van materiaal dat gemakkelijk te bewerken is. 2. nuchter (vrij van alcohol). 3. bekwaam.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bekwaam , bekwoam , 1. handelbaar (van materiaal); 2. nuchter (vrij van alcohol); 3. bekwaam.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bekwaam , bekwaom , bekwaam , Ook bekwaam (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe) = 1. bekwaam Dat is een bekwaom vakman (Bei), Dat hadden ij niet doen kunt, daor bi’j niet bekwaom genog veur (Man), Bekwaom is eine mit een helder verstand (Bov) 2. nuchter Dat ha’k neet edacht, hij gunk nog bekwaom over de straote (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bekwaam , bekwaom , 1. bekwaam; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: bruikbaar. Niet bekwaom meer wezen ‘dronken zijn’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bekwaam , bekwaom , 1. bekwaam. Is hie wel bekwaom veur dât vak? 2. nuchter. Helemaol bekwaom was hie niet toe hie bie ons ankwam.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bekwaam , bekwaom , bekwaam , Vur dé wéérk is'sie nog nie bekwaom, héij zal't wél liire mér'tis nog te vruug. Voor dat werk is hij nog niet bekwaam, hij zal het wel leren maar het is nog te vroeg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bekwaam , bekwaom , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. voldoende opgeleid en/of vaardig 2. nuchter, niet aangeschoten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bekwaam , bekwaom , (bijvoeglijk naamwoord) , 1. bekwaam, capabel. Zie ook: kepaobel; 2. nuchter.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bekwaam , bekwaom , 1. nuchter, niet dronken; 2. gezond, normaal; 3. van de grond: klaar om bewerkt te worden.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bekwaam , bekwaam , bekwaom , bijvoeglijk naamwoord , zelfstandig,volwassen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bekwaam , bekwaom , bekwaomer, bekwaomst , bekwaam
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bekwaam , bekwaom , stoffelijk bijvoeglijk naamwoord , bekwaam; in staat; nuchter, rijp; WBD geslachtsrijp (van koeien); uitdrukking -  Nie mir bekwaom - onder invloed; M bekwoam; De Wijs – (Gehoord van een volkstuinder:) munne rooie kôôl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zèn nog nie bekwaom (17-08-1964); Frans Verbunt: ge zèèt nòg nie bekwaom om meej de gèèt nòr den bok te gaon; Cees Robben – Mun peekes zèn nog nie bekwaom... (19640918) [ongetwijfeld met een ondertoon die symbolisch is voor ‘voortplanting’]; WBD III.1.2:182 'bekwaam' = gezond; WBD III.2.2:46 'bekwaam' = meerderjarig; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): bekwaom - bijvoeglijk naamwoord bekwaam, in staat; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEKWAAM (bekwaom) bijvoeglijk naamwoord, deskundig; ook: rijp, genoeg gegroeid om voor een bepaald doel gebruikt te worden, b.v. gegeten, geslacht of gedekt .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw - bekwaam, in staat, geschikt .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEKWAAM: Veur alles bekwaam zijn - zeer te mistrouwen zijn: geschikt om verkocht, geslacht, geplukt, geoogst enz. te worden.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bekwaam , bekwaom , bekwaam
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal