elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ben

ben , benne , (vrouwelijk) , mand.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ben , ben , mand, schaapsben.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ben , bennegie , bennetje. Het gebruik van ben voor mand is op vele plaatsen van ons land zoo algemeen, dat het hier geene afzonderlijke vermelding zou verdienen, ware het niet om de verandering van den uitgang van verkleining tje in gie. Deze treft men hier in vele woorden aan. Zoo spreekt men van borregie voor borretje, bordje, nullegie voor nulletje, ruinegie voor ruintje enz. Blijkt het uit deze voorbeelden dat men den uitgang gie voor tje te dezer plaatse gewoonlijk gebruikt achter de vloeijende letters, vroeger bezigde men dien ook achter anderen. Zoo vindt men bij Huygens suchtgien voor zuchtje (uitg. v. Bilderd. I, bl. 153); luchtgien voor luchtje; wijfgien voor wijfje (ald. bl. 155), schuitgien voor schuitje enz. [Aanvulling J. van Lennep: voor bennetje is zeker een dialekt-vorm en mijn aanmerking geldt ook alleen wat verder gezegd wordt, dat men, vroeger, zuchtgien, wijfgien, enz., zeide. Men zegt dit nog vrij algemeen heden ten dage, en zuchtjen, wijfjen, luchtjen, enz., is witgedast. In ’t dagelijksch gesprek worden zuchtgien, wijfgien, enz., heden, als vroeger, zuchie, wijffie, enz., uitgesproken.]
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
ben , benne , mand.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
ben , bünne , (vrouwelijk) , bennen , mand.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
ben , benne , (vrouwelijk) , bennen , mand.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ben , ben , doorhaler, voor pijpen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ben , ben , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , vgl. vuurben, larieben.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ben , bei* , zie ook kostbei *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ben , benne , vrouwelijk , draagkorf
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ben , benne , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , bennken , mand. Eenn in de benne doon, iem. te grazen nemen; in de benne doon, van de hand doen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ben , bennetje , mandje. Een broodbennetje
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
ben , ben , bin , zelfstandig naamwoord , KRS: Wijk, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Pols), bin (KRS: Scha; LPW: Bens, Lop, Cab) mand (bijvoorbeeld bij het appels plukken) Uit het Franse benne afkomstig. Een ben met aardappelen bevat precies één *schepel (= ¼ mud). Vroeger werden de aardappelen bij het verkopen niet gewogen: vier bennen vol was precies een mud (70 kilo) (Coth); enigszins afwijkend: een half mud is drie bennetjes (Wijk). ‘Een ben kerse’ (Bunn) Het dekseltje van een ben werd gebruikt voor de zogenaamde ‘queue de Paris’, de grote strik die eertijds achter op de lange rok gedragen werd, en die met dat dekseltje mooi rechtop gehouden werd (Werk) Dimunitief: bennegie (KRS: Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: Pols), bennetje (KRS: Wijk), binnegie (LPW: Bens, Lop, Cab). In de Vechtstreek komt dit woord alleen voor in de uitdrukking: hij zeit geen pruim voor ’n ben vol hij is zeer zwijgzaam, en in de samenstelling karseben , ronde kersenmand (Van Veen 1989, p. 36). Zie ook *kanis .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
ben , ben , benne, bende, bent , bennen , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook benne (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), bende (Zuidoost-Drents zandgebied), bent (Zuidoost-Drents veengebied) = mand Hie dee de kippen in de ben (Man), Ie kunt hum verkopen as mit een ei in de benne (Nije), ... as een ei uut de benne vlot kwijtraken (Hol), In de ben! tegen een hond (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ben , bèn , mand.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ben , benne , (Kampen) platte mand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ben , benne , mand. Dât brenk gien eier in de benne.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ben , benne , zelfstandig naamwoord , de; ronde mand, om kippen in te vervoeren op de bagagedrager aan de voorkant van de fiets
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ben , bennechie , zelfstandig naamwoord , bennechies , mandje Ze gong meddun bennechie om booschoppe Ze ging met een mandje om boodschappen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ben , bèn , mand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ben , ben , benneke , gevlochten mand, gevlochten halve mand waarin rode en zwarte bessen werden aangevoerd bij de boerenbond
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
ben , bèn , bènneke , mand
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
ben , bin , mand. Zie: Van Dale: ben
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
ben , ben , benne, bende , mand met twee oren of handvaten; bennewagen, rieten kinderwagen (Nunspeet)..
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ben , benneke , zelfstandig naamwoord , mandje (Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ben , bènneke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , "mandje; ""Hanna, ik hè gedroomd dè Onzen Lieven Heer mee 'n benneke neuzen veur me stond en dè-t-ie zee: Oome Teun, ge hebt de keus! Kies 'n goei uit mijn benneke, menneke, want 'n goeie gevel siert et huis! En vat naa nie zoo'n snotneuske, nie zoo'n wipneuske, mar híér zóó-iets bijveurbeeld..."" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’’t Briefke van duuzend; NTC 5-10-1939); Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee d'r bodschappenbenneke onder d'ren errem. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929); Van Beek - 'n ""Benneke"" is een mandje;  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958); Van Rijen (1998): mandje; WNT BEN, verkleinwoord 'BENNEKEN'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal