elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bengelen

bengelen , bungelen , achterna bengelen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bengelen , buungelen , schommelen. zie bungel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
bengelen , bungelen , Schommelen, waarvoor men ook zegt talteren, ruilen, beieren; Engelsch to bangle, verslingeren. Bungel heet ook 1° een blok dat men de paarden in de weiden aan een der pooten bindt, om hun het loopen en springen te beletten, en 2° een dwarshout dat den hond om den hals gehangen wordt ter voorkoming van jacht (art. 24 der jachtwet, luidende: ‘Buiten de steden, de kom der landgemeenten en de openbare wegen, mogen geene honden losloopen, tenzij voorzien van een slependen kruisbungel.’). Bong of bung was oudtijds een muziekinstrument, later gebruikte men het woord om er een trom of trommel door aan te duiden; thans is bong in Gelderland en Overijsel een zeker vischtuig, (in Holland meen ik tuimelaar geheeten) zijnde een korte fuik met twee openingen of ingangen die naar binnen en bezijden elkaâr heenleiden. Het geheel wordt gespannen om vier door twee dwarsstokken uitgezette hoepels en voorts een steen of iets zwaars er aan bevestigd, om het ter vereischte diepte te kunnen doen zinken. Men gebruikt ze veel in den rij- of schaartijd, als wanneer er soms zoo’n aantal visschen in kruipt, dat men ze niet dan met moeite ophaalt of lichten kan; de uiterlijke gedaante van zo’n bong heeft veel overeenkomst met een legertrom. Door verwissing van ng in m, ontstond van bong ‘bom,’ trom, Vondel, Lucifer, IV bedrijf: ‘Zoo dra ghij steeght in ’t licht, en, op bazuin en bommen / Door ’t blakende gesternte en steenen quaemt te brommen.’ welk bom we nog in rinkelbom (tamborijn) overig hebben. Bong vormde bongen (bonken, ergens op bonken) of bungen voor slaan of stooten, Engelsch to bang; van dit werkw. bungen kwam het zelfst. naamw. bungel dat weêr het voortdurend werkwoord bungelen gaf, ‘heen en weêr bewegen.’ Bungelen voor bengelen, trof ik aan bij van Lennep: ‘Hy greep in ’t eind een kleine lier / Die bungelde op zijn rug.’ en Hofdijk: ‘…..Hy wees door ’t raam, / Bestraald van d’avondglans – / Daar stak het bungelende lijk / Reeds uit den torentrans.’
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
bengelen , [plagen, tergen] , bōngeln , plagen, tergen; “ze zōllen hōm (den veldwachter) bōngeln en de vonders op de wuppe leggen.” Het Gron. bōngeln, bungeln, dwarsbungeln beteek. dwarsdrijven.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bengelen , bōngeln , met een stuk hout werpen; koestannies bōngeln = kastanjes met een stok of stuk hout van den boom gooien.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bengelen , büngelen , (zwak werkwoord) , bengelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bengelen , bōngêln , bungêln , dwarsboomen, dwarsdrijven, den voortgang eener zaak beletten door tegenwerking = de bōngel d'r in gooien; – ʼt bōngelt (of: bungelt) ʼr zoo wat langs (of: lans) = ʼt is er wel niet mee zooals ʼt behoort maar de huishouding of de zaak gaat toch haren gang, zij sleept zich voort; ʼt bongelt ʼr bie an, eigenlijk: ʼt hangt er zoogoed als los bij aan en sleept zoo mee; – bōngeln, bungeln, in eig. beteekenis: hangende heen en weer bewegen; Van vrouwen die achter den man loopen, zooals bij daglooners en in ʼt algemeen bij boersche lieden de gewoonte is, zegt men: dat zij dʼr achteranbungelt. Zuid-Nederlandsch bongelen = slingeren. Hoogduitsch baumeln, Geldersch, Oostfriesch bungeln = schommelen; Oostfriesch dwasbüngeln, dwarsbüngeln. Drentsch bōngeln = plagen, tergen. (Bij v. Dale: bungelen, onzijdig en bedrijvend; genoemde werkwoorden zijn alle onzijdig)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bengelen , bengeln , luien met den bengel, klokje bij de voormalige A-poort en Kleine poortje te Groningen, als waarschuwing dat de schuit met vijf minuten zal vertrekken. Op sommige plaatsen wordt van zulk een’ bengel gebruik gemaakt, (ge)bengeld, om het werkvolk aan te kondigen dat het schafttijd is; ook voor het luien op onze stoombootjes en bij de stations; lúden (luien) doet men hier alleen met de torenklok. In Amsterdam wordt gebengeld vóór het afvaren der schuiten en het sluiten der poorten; in Noord-Brabant verstaat men er onder het luiden van de kleine klokken bij begrafenissen; eveneens in Holsteinsch waar het eigenlijke luiden op zon- en feestdagen geschiedt; Oostfriesch bingeln, pingeln = luien met eene kleine klok, zijnde geene kerkelijke verrichting. (v. Dale: bengelen = luien).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bengelen , bōngeln* , zie “bungelen” bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bengelen , bengelen , Mij onbekend, en alhier ook niet in gebruik.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
bengelen , bemmele , bengelen Mit de bintjes bemmele Met de beentjes bengelen; Langs de straot bemmele slenteren Langs de straot bemmele. [Mill]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bengelen , bongeln , zie bommeln
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bengelen , bengeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. bungelen Hij bengelt mit bainen in ʼt waoter (Eco), Hij bengelt er bij an is vijfde rad aan de wagen (Hgv), Um de boom toe bengeln spel. Touw aan een boom en dan met touw in de hand om de boom lopen, zodat je steeds dichterbij de boom komt (Sle), Met bengeln en douweln kuj tied rekken vaak gezegd tegen kinderen (Eex) 2. luiden Ie kunt de klokken wied heuren bengeln (Wap), Wij moen anmaken, de kerkklokke die bengelt al (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bengelen , bongeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. bengelen Hie mug weer mit de benen bongeln, toen ie zo lange legen had (Hgv), Hij kreeg een jaap ien de vinger, de veurenste vinger bongelde der haoste bij an (Rui) 2. met een stok vruchten etc. uit de bomen gooien De ekkelbieters wuurden oet de bommen bongeld (Sle), Hij bongelde de appels van de boom (Ros) 3. onzeker lopen IJ moet aal niet tegen mij an bongeln, ij moet is wat meer rechtoet lopen (Eex) 4. dwarsliggen Oons pap kan altied zo liggen te bongeln (Bal), zie ook bungeln, bengeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bengelen , bèmmelen , bengelen, slenteren. hij bemmelt mar langs de stroot, hij slentert maar doelloos rond.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bengelen , bongelen , bengelen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bomrammen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bengelen , bungeln , bengelen. Hie zag de worsen nog an de spieln bungeln; daor had er pas iene an ezèètn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bengelen , bèmmele , bengelen , D'r hèngt veul te bèmmele in de kiirzenbóóm um de spruwwe én mérrels te verjaoge. Er hangt veel te bengelen in de kersenboom om de spreeuwen en merels te verjagen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bengelen , bongelen , bungelen, bengelen , werkwoord , 1. lopen: slenterend, doelloos, met bungelende bewegingen 2. heen en weer (doen) slingeren, (doen) bungelen 3. met een bungelende beweging gooien 4. langzaam maar zeker verbrassen 5. zie dwasbongelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bengelen , bingelen , bengelen , werkwoord , 1. heen en weer slingerend hangen (zie ook bongelen) 2. gaan, geluid worden van een luidklok
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bengelen , bèmmele mi de biejen , bengelen met de benen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bengelen , bèmmele , slenteren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bengelen , bèmmele , bengelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bengelen , bèmmele , werkwoord , bungelen, rondhangen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant; Helmond en Peelland; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bengelen , bèmmele , zwak werkwoord , "loshangen, bengelen, bungelen; Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ""bemmelen - het hing er los bij te bemmelen (los, luchtig aanhangen)""; CiT (28) 'Haj okkene noemer tussche z'n schouwerblaoie bemmelen?'; WBD III.1.2521 'bemmelen' = bengelen; ook 'bungelen'; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bèmmele - bungelen; rondhangen in de stad; luiden v. kleine klokken"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bengelen , bemmele , biemele , bengelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal