elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: besnieten

besnieten , besnieten , waarvoor men ook zegt: betaald zetten, bezuren enz. Als iemand zich een gedaan onregt, eene gedane schade of iets dergelijks, hetzij moedwillig, door , Mijn buurman wilde mij geenen rog leenen, dat hij zal moeten besnieten, dat hij hem namelijk ook niet zal helpen. Ik ben gisteren naar de Eerselsche markt geweest, maar ik moest het besnieten, want ik werd door nat toen ik terug kwam.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
besnieten , besniete , werkwoord , bezuren. De goej moeten ’t meej de kaoj besniete. Het werkwoord wordt alleen in zijn onverbogen vorm gebruikt en meestal in samenhang met het werkwoord “moeten”.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
besnieten , besniéten , misniéten , bezuren, ervoor boeten, ontgelden. zie ook misniéten. mè de kooi, moeten ’t òk de goei besniéten, samen met de slechten, moeten het ook de goeden bezuren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
besnieten , besníéte , bezuren, boeten, ontgelden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
besnieten , besniete , de dupe worden , d’n dieje pas nie goed op en z’n vrouw en kiendere motten ut besniete = hij past niet goed op en z’n vrouw en kinderen zijn er de dupe van-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
besnieten , besniejte , ervoor opdraaien, bezuren , Kârel moes ’t besniejte. Karel draaide ervoor op.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
besnieten , besniete , werkwoord , ontgelden, bezuren (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
besnieten , besniete , werkwoord , Alleen de infinitief komt voor, meestal gepaard met 'moete'; bezuren, opdraaien voor; Gij hègget gedaon, èn hij moet et besniete. - Jij hebt het gedaan, en hij draait ervoor op .Hij zeej: «Int irst viel et nie mee,/ allêen tusse die griete/ want ofk iets ha gedaon of nie/ ik moest aaltij besniete.» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Wörrom zo dè nie meuge?'); Henk van Rijen: de goej mottenet meej de kaoj besniete; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): besniete - bezuren, opbreken; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - besniete, misnieten - ontgelden, bezuren; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BESNIETEN ov.ww., bezuren, altijd in verbinding met 'moeten' en 'het' .A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): besniete(n) zw.ww.tr. 'besnieten' (iets) ontgelden, (het) bezuren .Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): besniete - bezuren; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): besnieten < Middelnederl. 'misnieten'; MNW - lemma Misnieten - st. ww. trans. Mhd. misseniezen. — Het tegenovergestelde van genieten; het woord is nog heden in zuidndl. tongvallen bekend in den vorm misnieten (Schuermans 481) en (in Limburg) besnieten (t. a. p. 46).
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal