elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bessenbos

bessenbos , bèzebos , (mannelijk) , Bessestruik. W. Vl. eveneens: bèze – bezie (de Bo).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
bessenbos , bèzebos , (mannelijk) , Bessestruik. W.Vl. eveneens: bèze – bezie (de Bo).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
bessenbos , bèzebos , bessestruik.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bessenbos , bessenbos , bessebos , Ook bessebos (Ass) = bessenstruik In het veurjaor kunt die bezebossen toch zo lekker roeken (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bessenbos , bessebos , zelfstandig naamwoord , de; hetz. als blekberpolle
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bessenbos , beejzieboske , bessenstruik
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bessenbos , beeziebos , zelfstandig naamwoord , bessenstruik (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal