elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bezeiken

bezeiken , [urineren] , bezeiken , (zwak werkwoord) , bewateren, (zeiken wordt meest van mannen, mîgen van vrouwen gezegd) zik bezeiken van lachen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bezeiken , bezeike , bezékte, bezeke , bedriegen, bezeiken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bezeiken , beseiken , (N) = bedriegen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bezeiken , bezeiken , 1. beetnemen; 2. bepissen. Ie zollen oe bezeiken ‘je zou het in je broek doen (van het lachen)’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bezeiken , bezeikn , beplassen. Hie bezeikt ’m van angs.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bezeiken , bezééke , werkwoord , beduvelen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bezeiken , [bedriegen] , bezeike , bedriegen, oplichten , Emes bezeike woea d’r bie stuit. Laot dich neet bezeike: laat je niet beetnemen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bezeiken , bezèèke , zwak werkwoord , bezèèke - bezêek - bezeeke , Van Rijen (1998): bedonderen; niet meer bijkomen van de lach; met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bezèkt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal