elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bij

bij , byen , Bijen, wordt in een overdrachtigen zin, niet oneigenaardig gezegd van de sneeuwvlokken: de witte byen vliegen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
bij , bij , links! uitroep om de paarden links te doen gaan.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bij , bij , in: er rijkelijk bij zijn = vermogend, welgesteld zijn; bij (een meisje) wezen = met dat meisje vrijen; dit ook in Gron.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
bij , bie , Stad-Groningsch bij (met den klank tusschen ei en ai); doar bin ’k zulm bie = doar wi’k zulm bie wezen, of: doar wi’k bie wezen (met den klemtoon op: bie), zooveel als: ik laat mij niet foppen, laten ze dat maar eens beproeven; doar bin ’k zulf bie = ik zie goed uit mijne oogen, geloof dat maar; doar heb ’k niks bie = dat bevalt mij niet, en ook: daar is niets bij van mijne gading; bie heur is niks bie, en nog sterker door toevoeging van: godsterwereld niks! = men heeft in ’t geheel niets aan haar, er zit geest noch leven in; hij ’s t’r bie = hij moet betalen, zooveel als: hij is bij de verliezende partij; dei is t’r altied bie = die persoon lijdt bij elke gemeenschappelijke onderneming schade; doar bin ’k goud bie wegkomen = daar ben ik goed afgekomen, ik heb zelfs meer gekregen dan mij toekwam; as hij d’r bie komt (klemtoon op: bie) = als hij er eenmaal den smaak van heeft weet hij zich niet te matigen: ’k wōl wel even bie joe wezen = ik zou u wel even willen spreken. Gothisch bi, Oud-Hoogduitsch pî, bi, Middel-Nederduitsch bi, Angel-Saksisch bë, bi, big, Oud-Saksisch bî, be. (Verdam).
bie - ōm; bie Helpen ōm = in de omstreken van Helpman; hier bie om is gijn vlas, bin gijn bouldoagen, enz. Zoo ook: doar bie om = in den omtrek van. Dit ook zooveel als: ongeveer zooveel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bij , bei , (Ommelanden) = bij (zelfstandig naamwoord); ook = korf met bijen, ook Drentsch. Vergelijking: vlug as ’n bei (Ommelanden) = vlōgge as ’n iem (Oldampt, Westerwolde) = volkomen gezond en tevens opgeruimd. Zie: iem.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bij , bij , (voorzetsel) , vgl. kortbij; zie een zegsw. op kijken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
bij , bie* , 1, zie ook bie’ nander * (bl. 503.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bij , bie , bij
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bij , bieje , [bīә] , vrouwelijk , biejen [blĭn] , honingbij. Niäärig as ne bieje: ijverig als een bij.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
bij , biej , voorzetsel , bij. Dr biej hen, meer dan erg; noars wat biej hebm, zich nergens wat van aantrekken; weat’r biej, pas op je tellen; biej da’j, biej o’j, vergeleken met, als je
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bij , bieje , zelfstandig naamwoord , biejn , biejken , bij
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bij , béj , erbij horen (lid van een vereniging); D’r béj zien gesnapt zijn, (op heterdaad).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bij , béj , béj d’n tied zien Bij de tijd zijn; bijdehand, modisch, pienter.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bij , bieke , biejke , bij De stéêk van zó’n kliên bie(j)ke. is nie niks! De steek van zo’n klein bijtje is niets niks!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bij , bai , bijwoord en voorzetsel , Bij. Zegswijze Deer zit niet veul bai, gezegd van iemand die weinig begaafd is, verstandelijk beperkt is.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bij , bééj , bij in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
bij , , voorzetsel , bij. Wordt vaak gebruikt in samenstellingen. Bè jòns (bij ons) wordt bòns. Bè jullie of bè ullie wordt bullie. Bè alleman wordt balleman. Als gevolgd wordt door een eigennaam krijgt deze een achtervoegsel. Waor ist te doen? Bè Janne. Bè Piete. Bè Driekskes. Bè Toone. Bè Jaonekes. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor als de naam wordt voorafgegaan door de voorzetsels van en voor. Van Sjefkes. Vur Dreeje.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bij , bieën , bijen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bij , bie , bij; * doar hè’k niks bie: daar heb ik geen problemen mee; dat doe ik gewoon.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bij , bieje , biejgie , bij; * de witte biejen vliegt: het sneeuwt.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bij , bij , bie , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook bie (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), bai (Kop van Drenthe) = 1. bij Wij hebt 12 biggen bij de mot liggen (Bor), Hij is der bai er bij aanwezig of: gesnapt (Row), Het laand lig der roeg bij (Hoh), Wat hew der bie als groente bij het eten of versnapering bij de koffie (Bov), Hij möt ongeveer bij de tachtig ween (Pdh), Het is bij twaalf ongeveer 12 uur (Die), Ik neem der nog een arbeider bie tou extra arbeider (Eco), Wij hebt het koren bij binnen (And), Hie löp der bij an vijfde rad aan de wagen (Hgv), Ie mut bèter mikken; ie gooit alle eerpels bij de maande an ernaast (Bro), Hie lop bij de fiets an (Oos), Ze schoeft de glassies nog ies bie (Bco), Hij is ter bij in woont er bij in huis, ook: hij heeft niets te vertellen (Bro), Hij is goed bij de tied (Ruw), Bij aander steden hebt wij hier gien waoter had vergeleken met (Eex), Ik musse vrogger bij lochten weer in huus wezen (Stu), Het pèerd bij de hingst doen (Sle), Hij dut er wel wat bij overdrijft (Hijk), Hij zit er goud bie is rijk (Erf) 2. als uitroep om een dier opzij te laten gaan Bij! Het peerd of de ko kreeg dan een schup tegen de poten (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bij , bij , bije, baai, bai , bijen , (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe). Ook bije (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), baai, bai (Kop van Drenthe) = 1. bij Daor hef mij een bije stèuken (Ruw), De baaien winnen goud, wij kriegen een goud nust hönnig (Een), Een dorre bai dar (N: Rod) 2. korf met bijen Ik heb iene bije (Hol), zie ook iem
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bij , , bij. bè wie bende gewist?, bij wie ben je geweest? , bè d’n Dries, wel, bij Driessen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bij , , bij , wel. Bè ja, wel ja. Bè foei toch èvvel!; goed. de klok stè nie bij, de klok staat niet goed op tijd.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bij , biy , bij. mv. biyen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bij , bi’j , voorzetsel , bij
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bij , bi’je , bije , zelfstandig naamwoord , bij. Ook: bije
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bij , bie , bij (voorz.). Blief iej bie huus? ’t Deerntien is meraekel bie de hand.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bij , bieje , biejchien , bij (insect).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bij , bieje , bijen , És de bieje vliege moet'tes bè nen biejkörf gôn kiike, dan zie’de hoe druk ze't hébbe. Als de bijen vliegen moet je eens bij 'n bijenkorf gaan kijken dan zie je hoe druk ze het hebben.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
bij , bi’je , zelfstandig naamwoord , de; bij, honingbij
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bij , bi’j , voorzetsel, bijwoord , 1. bij 2. in de ogen van, naar de mening van 3. aan (een lichaamsdeel, een kledingstuk: dat men vastpakt), bijv. Hi’j pakte heur bi’j de neuze 4. gedurende, tijdens 5. op een bep. tijd 6. gelijktijdig met 7.In geval van, met betrekking tot 8. wegens 9. door, bijv. in Dat wee’k bi’j onderviening 10. door middel van 11. onder een bep. omstandigheid, bijv. bi’j de gek voor de grap 12. per, volgens de genoemde eenheid 13. langs (gaand; ook wel m.b.t. een vaste toestand)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bij , bi’j , bijwoord , 1. dichtbij 2. op het punt waar men had horen te zijn 3. bij bewustzijn 4. pienter, scherp van geest 5. in te naoste bi’j ten naaste bij, ongeveer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bij , bie , zelfstandig naamwoord , biee , biechie , 1. bij ’t Kind is deur een bie gestooke Het kind is door een bij gestoken 2. wesp Opte Noord is een ‘bie’ een ‘bij’ en een ‘weps’ een ‘bie’ Op Heinenoord is een ‘bie’ een ‘bij’ en een ‘wesp’ een ‘bie’
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bij , bij , uitdrukking , Hij heb niks om bij te zette Hij heeft geen kracht om het vol te houden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bij , bèìj , bij (insect)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bij , , bij
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bij , , b’ons , bij, bij ons
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
bij , bi’j , (voorzetsel, bijwoord) , bij.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bij , bi’je , (zelfstandig naamwoord) , bij. De bi’jen zitten op de bloemen. Uitdr.: De witte bi’jen vliegen ‘het sneeuwt’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bij , biej , bij , d’n dieje hou bieje = hij houdt bijen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bij , beij , biej , bij, honingbij
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bij , bèij , 1. bij, nabij; 2. bij, gelijk , D’r wâr ’n beij bèij. Er was een bij bij.; Nie goewd bèij (oew verstand) zén , dom zijn; Och, ge bént nie goewd bèij gèij. Och, jij bent wel heel erg dom.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
bij , bie , biej, bieje, bi-j , (zelfstandig naamwoord) , bij; biejeboer, imker; biejenschoer, bijenvolk; witte biejen, sneeuwvlokken; biemeze, biemieze, koolmees; bi-jmees, pimpelmees (Hattem); biejevreter(tje), 1. koolmees; 2. pimpelmees.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bij , bie , zelfstandig naamwoord , bij (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bij , bie , (bie\) , (vrouwelijk) , bieje , bieke , bij , Dao haet mich ein bie gestoeake.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bij , bie , (bie~) , bij , Bie d’n tied zeen. Bie ós = thoes: thuis. Good bie zeen: intelligent zijn. Dao kóm ich mèt mie verstandj neet bie. Det kós t’r nog waal bie!: intelligent zijn. Dao kóm ich mèt mie verstandj neet bie. Det kós t’r nog waal bie!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bij , , bij , voorzetsel, bijwoord , bij; Toe teej toe haj bèm. - Zelfs thee had hij bij zich .CiT (71) 'Kem bemme'; Met vocaalreductie ontstaat 'bè' uit 'bij' in o.a. bèdehaand en werkwoorden als bèhaawe, bèlappe, bèpèère, bèschiete (cfr. Dirk Boutkan: 41); Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): BÈ vz: bij;
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bij , bie , zelfstandig naamwoord , bieke , "bij; R.J. 'er kwaam 'n bieke brommen'; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): biejekörf; Al is zo'n bieke nog zo klein, 'z is krek as d' auwe biekes zijn. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘De bie zit op de blom’, 1932); M'n biekes zie ik geere gaon; van blom toe blom, en aaf en aon; toezjoer en toepartoe en vlug; de blumkes aaf en weer terug; van zoeme zom; weerom; van blom toe blom .(Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Iemker-lieke’, 1938); ...en den boer wees naor den bieënstal mee z'n pijpke. ""Daor heb ik nog veul plezier aon, aon m'n bieje. 't Is zoo gezellig om in et zunneke neffen den biejenstal te gaon zitte en te luisteren naor al dè gezoem en 't ruukt er zoo lekker rondom de körve.” (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939); Aon die blommen / hong die bie (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘De bie’, 1941); A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - bie - bij (insect); A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bie, zelfst. nw. vr. - bij; Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BIJ - bi, zelfst. nw. vr, mv: bie, verkleinwoord: bi:ke; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIE zelfst. nw. v. bij, Hgd. Biene, Fr. abeille. in samenstellingen gebruikt men altijd 'bie', nooit 'bieën': bieboer, biehal, biekaar, biekorf, -man .WNT BIJ, daarnaast 'bie'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
bij , beej , beje , bij (insect)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
bij , bee~j , bij (bw)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal