elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: binnenwerk

binnenwerk , binnenwark , het , binnenwerk De klokke stiet stille, het binnenwark is versleten (Noo), Het binnenwark van een slachtdier dat is hart, lever enz. (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
binnenwerk , binnewéérk , voering , Ut binnewéérk van dieje jas is ók nie alles mér, dôr zul'des nôr moete laote kiike. De voering van die jas is ook ver versleten, die zal je eens moeten laten maken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
binnenwerk , binnenwark , binnewark, binnenwaark , zelfstandig naamwoord , et 1. binnenwerk: werk binnenshuis 2. delen van een machine, werktuig aan de binnenkant
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
binnenwerk , binnewèèrk , zelfstandig naamwoord , voering (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal