elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blèren

blèren , bleerten , (transitief werkwoord) , bleren, gebleer maken, jammeren, schreeuwen, blaten, als het vee. Zij bleert wat af, dat is een bleerster. Zij die aanhoudend, eentoonig jammeren en schelden, zijn lastige bleersters.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
blèren , blèren , (zwak werkwoord) , blaten, schreeuwen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blèren , blerren , bler’n , (met gerekte e) = laten; ook = huilend schreien, en: schreeuwend zingen; gebler = geblaat; geschreeuw; geschrei. (v. Dale: geblaar, gebleer, geblaat, gebleet.) Hiervan de schimpwoorden: blerbek, blersnoete = blebbert, schrijfbek, schrijfsnoete, hoelbek, liepgat, mōlfert, gōlfert = schreeuwleelijk, huilebalk. Weil. v. Dale: blaren = blaten, loeien, balken; Neder-Betuwsch blère = blaten; Kil. blaeren (Sax.); Oostfriesch blarren, blären, bleren = huilen; loeien, balken; Nedersaksisch blarren, Engelsch to blare = huilen, weenen; Westfaalsch blaeren, Noordfriesch blarre = blaten; schreeuwen van kinderen; Middel-Hoogduitsch blêren, blerren = blaten, schreeuwen; Latijn balare, Hoogduitsch plärren, vroeger: blärren, geschreven. Middel-Nederlandsch bleren, Middel-Hoogduitsch blêren. Hoogduitsch blarren, Nederlandsch blêren. Schreeuwen, van een ezel gezegd, balken. Thans bij ons uitsluitend van kinderen in gebruik. (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blèren , bleeren , zwak werkwoord , blaten van schapen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
blèren , bléêre , huilen (aanhoudend); huilen van een kind, blaten van schaap
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blèren , bleren , 1. blaten van schapen 2. klaaglijk huilen. 3. onwelluidend zingen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
blèren , blèrke , blèrre , werkwoord , Schreeuwen, huilen, blaten, luid zingen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blèren , bleeren , schreeuwen, b.v. van kwaadheid.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
blèren , blèren , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. luidkeels schreeuwen, janken, huilen Muj det jonk ies heuren blèren, hij zal zien wille wel niet kunnen kriegen (Koe), Hij hef de kop dik van het blèren (Vtm), Mam, poppie blèert (Bal) 2. blaten van schaap of geit As die geite een kort touw an hef, dan blèert ie (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blèren , blèren , blaten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blèren , bleren , blèren , huilen. Ook: blèren (Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blèren , bleern , bleren. Heurt dat jonk toch es bleern!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blèren , blaeren , werkwoord , blèren: van mensen, vooral van kinderen, ook van schapen enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blèren , blèère , blaten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blèren , blèèrde , huilde
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
blèren , blèren , (werkwoord) , blèren, eblèèrd , huilen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
blèren , blêre , blaten, huilen van een kind
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blèren , blère , hard huilen/indringend roepen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
blèren , bléére , werkwoord , huilen (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); blèère; blaten, van een schaap (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blèren , blaere , blaertj, blaerdje, geblaerdj , huilen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bleren , blèère , zwak werkwoord , blèère - blèèrde - geblèèrd , blèren, blaten; huilen, lawaai maken; geen vocaalkrimping; Cees Robben: geblèèr èn gejaank; Hilversum III blèèrt dag èn naacht/ meej rock èn biet èn pop/ èn al wègger van ooverhaawt/ dès pènt in oewe kop. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Barend, bedankt war‘); Zaoterdag gaon ze vurt Karneval/ ònt leutere èn ònt blèère... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Èn mar leutere‘); ...de kènder hannet in der kèèl/ èn blèèrde halve naachte. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Waoter drinke dès gevaorlek'); De klènste hong òn oewe slip/ te jaanke èn te blèère (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger); Èn nò wè pilskes flink gòn zitte blèère. (Henriëtte Vunderink, Jong zèèn, uit: Tis de moejte wèrd; 2011); WBD loeien, ook 'brulle', 'blijte', 'kweeke' of 'kwèèke' genoemd (m.b.t. koe); WBD (Hasselt) geluid voortbrengen, gezegd van een schaap; WBD III.1.4:251 'blèren’ = huilen; 255 'blèren' = luid schreien
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal