elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blikaars

blikaars , blikeers , (vrouwelijk) , blikaars.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
blikaars , blikeers , (mannelijk) , doorgereden aars.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blikaars , bikeers , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = blikaars, blikgat Deur het veule lopen har hij last van bikeers (Pes), zie ook blikgat
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blikaars , blek-ers , schrale billen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blikaars , blekèèrs , zelfstandig naamwoord , uitslag op het achterwerk, bijv. door paardrijden. (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal