elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blind

blind , blind , "Ik ben daar blind in, d.i. ik weet daar niet van; de zaak is mij geheel vreemd."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
blind , blind , Kinderen waarschuwen elkander om niet door de bril van een privaat te kijken, omdat zij dan blind zullen worden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blind , blinde , blin , (vrouwlijk) meervoud blinden, blinnen en: blindens = vensterluik; “Eerst mossen de gedienen deele en de blinnen hijlendal digte.” In ouderwetsche huizen vindt men ze nog aan den buitenkant, thans worden ze alleen aan den binnenkant aangebracht. Om in ’t geheel geene blinden meer te gebruiken, vindt op het land nog weinig navolging. Men zegt: blinden veur de vensters, maar: roamkes veur de gloazen hebben; blinnen, blinn’, in blinden = in blindjes; = met gesloten oogen; dat ken ’k in blinden wel vinnen (vinden); braiden ken ’k in blindjes wel deun.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blind , blind , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) Niet kunnende zien. Overdrachtelijk ook van gebak zonder ogen (krenten). || “Zitten er ook krenten in de ketelkoek?” “Nee, hij is blind.” Vandaar: blinde ketelkoek of blinde zuster, blinde Jan, blinde Dirk, meel, melk en stroop in een zak gekookt. – Zegsw. Nou ben-we waar we wezen moeten, zei de blinde toe (tegen) de lamme, nu zijn we er. Vgl. het leugensprookje van de blinde, die door de lamme gedragen wordt. Zie een zegsw. op zien. 2) Onzichtbaar, met water overdekt; vgl. OUDEMANS, Wdb. op Hooft 54. Als naam van een stuk land onder Oostzaan. || De Blindjes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blind , blient , blind.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
blind , bleend , blind
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
blind , bleende , vrouwelijk , bleenden , vensterluik, blind
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
blind , bleend , zelfstandig naamwoord, onzijdig , bleendn , raamschot
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blind , bleend , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , blind
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blind , blinde , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze blinde snert, snert zonder kluif, spek of worst. – Blinde soep, soep zonder balletjes of vlees. – Blinde zegen hewwe, stom geluk hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blind , blinjtj , blind, niet kunnende zien.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
blind , blinden , sluitingen voor de ramen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
blind , blinden , blinden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
blind , blind , bliend , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook bliend (Zuidwest-Drenthe) = Die is vanof zien geboorte blind (Bal), Hij is zo blind as een vinke (Vtm), Der staait zowat niks in hoes, een blind peerd kan er niks stukkend maoken (Row), Een blinde vurge voor, die men oversloeg bij het poten van aardappelen (Vtm), Ik kan het in ’t blinde, ... in ’n blinde wal vinden blindelings (Sle), Hij zeg in ’t blinde wat vort zegt zo maar wat (Sle), Een kaorte zunder namen is een blinde kaorte van een landkaart (Bei), Hij hef de bliende darm der al uut (Hol), Een bliende mure zonder ramen (Pes), Daor moej je niet blind op staren (Anl), Ik mag hier bliend worden soort krachtterm of bezwering, waarbij men dan op bijv. een arm of been wijst (Mep), zie ook bij blinde
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blind , blinde , blin, bliende , blinden , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook blin (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), bliende (Zuidwest-Drenthe) = vensterluik Ie mut wel de blienden dichte doen, aans kunt ze oens zo beschieren (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blind , bleind , blind.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blind , bliend , (Gunninks woordenlijst van 1908) blind
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blind , blinde , bliende , houten luik. Ook: veinster (Kamperveen), vèènster (Kampereiland), Gunninks woordenlijst van 1908: bliende
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blind , bliend , blind. In iene slag bliend.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blind , bliende , vensterluik. ’s Aovens gaot de bliendn dichte.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
blind , blénd , blind , In dé hûis lupt 'n blénd pérd nog niks kepot. In dat huis loopt een blind paard nog niets stuk. Die mensen hebben niets waardevols in huis.
Blénde pàèrd lóópe in éij’en hof niks kepot, daor groeje nog gin stróntblaor. Blinde paarden lopen in jullie tuin niets stuk, daar groeit nog geen zuring.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
blind , bliend , bijvoeglijk naamwoord , 1. blind, niet de mogelijkheid hebbend om te zien 2. niet in staat in de gaten te krijgen wat er aan de hand is, wat er speelt 3. wild, onbeheerst, in in bliende woede haandelen; bliende vliege paardenhorzel, ook: steekvlieg, blindaas 4. gezegd van handelingen of toestanden waarbij men het verloop niet goed kan plannen, niet weet 5. zonder hetgeen men erin, erop zou kunnen verwachten, zonder wat relevant is te kunnen zien; een bliende mure zonder ramen 6. niet zichtbaar 7. met een opening slechts aan één kant
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blind , blinden , zelfstandig naamwoord , raamluiken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
blind , blint , zelfstandig naamwoord , blinte , blintjie , zwarte plaat achter de kachel Zie bled
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
blind , blèìjnd , blind
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blind , bliende , blinde , vensterluik (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
blind , bleengd , blend, bliend , bijvoeglijk naamwoord , blind (Helmond en Peelland); blend; blind (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); bliend; blind (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blind , blindj , blind , Blindj geboeare zeen. Ein blinj flaaj: vlaai met dichte bovenkant, zodat de vulling onzichtbaar is. Ich gaon blindj mèt: uitdrukking bij kaartspel (toepen); zonder voorwaarden akkoord gaan.: uitdrukking bij kaartspel (toepen); zonder voorwaarden akkoord gaan.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
blind , blènde , zelfstandig naamwoord, meervoud , "(het enkelvoud komt niet voor); vensterluiken, blinden; Cees Robben – [Ze] doen vruug de blenden dicht... (19601125); WBD III.2.1:44 blinde' luik (binnen); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLINDEKE(N) zelfstandig naamwoord onzijdig -ieder v.d. twee kleine schermen, die men langs binnen voor de onderste ruiten v.e. venster zet, en die beletten v. buiten naar binnen, maar niet van binnen naar buiten te zien .zelfstandig naamwoord, iemand die blind is; Pierre van Beek – ""Hier zie ik oe, zeej den blende!"" en ""Naauw heur ik oe, zeej den dove!"" kan iemand wel eens ten antwoord krijgen als hij ""goed uit den hoek komt"" of de spijker op de kop slaat. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950); bijwoord - blindelings; Cees Robben – Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belôôpe (19570119)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
blind , blènd , bijvoeglijk naamwoord , blind; Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'dieje blende meensch '; ''n blend perd'; - De Wenter, oud en kleurenblend,/ gaaf witte dekens mee kaawe wend. (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘De jaorgetij’, 1939); Cees Robben – ’n Pond zaod vur m’n vink... Wit of zwart, menneke... Dè-nukt-nie.. Z’is blend... (19721222); Cees Robben – ’n blende vrouw en unne dôôve meens (19811016); K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de blènde Peer = Joh. Rokven (blz. 69); K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blènde Thirus =blinde man, omgeving Julianapark (blz. 86); Dirk Boutkan: (blz. 27) in de superlatief wordt de d niet uitgesproken: blènst; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blènd - bnw. - blind; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEND, BLIJND - blind, Fr. aveugle .Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bleind
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
blind , blind , een blinde dag; een dag waarop niets verdiend wordt
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal