elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blindaas

blindaas , blindauwsche , (vrouwelijk) , blinde paardevlieg.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
blindaas , bliendaos , o , daas, steekvlieg (Als een daas. zich vastzoog om bloed te zuigen was hij makkelijk dood te slaan. Men dacht daarom, dat het beest blind was.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
Blindaas , blèndaos , zelfstandig naamwoord , daasvlieg. De officiële naam luidt stekende bloedvlieg of daasvlieg. Ze houden zich vooral op aan de waterkant. Jongens die gingen zwemmen in een stroomke, het Rooversvenneke of de “Limskùile” hadden er veel last van. De vliegen beten zich vast in de huid om bloed te prikken en vergaten daarbij alles, zodat je ze gemakkelijk dood kon slaan. Daarom dacht men dat de steekvliegen blind waren: blinde dazen, blèndaos (zowel enkel- als meervoud).
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
blindaas , bleindaos , daas.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
blindaas , blindaze , bliendäze , paardenvlieg. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: bliendäze
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blindaas , blèìjndoas , daas
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
blindaas , bliend’aoze , horzels, paardenvliegen , bliend’aoze stake ok mèèse en da deej jil zjeer = horzels staken ook mensen en dat was heel pijnlijk-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
blindaas , bleindaos , daas of paardenvlieg
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
blindaas , bliendaos , blinde haze, bliende haze , daas, steekvlieg.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
blindaas , blendaos , bleengden dazzerik, blindaos, blindazzerik , zelfstandig naamwoord , daas, steekvlieg (Tilburg en Midden-Brabant; Den Bosch en Meierij); bleengden dazzerik; daas, steekvlieg (Helmond en Peelland); blindaos; daas, steekvlieg (West-Brabant); blindazzerik; daas, steekvlieg (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blindaas , blèndaos , zelfstandig naamwoord , "paardevlieg, blind(d)aas; Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Ik slao niks aaf as vliegen èn blèndaoze = Ik sla niets af; Cees Robben: Ik slao niks aaf as blauw vliegen èn blèndaoze; Pierre van Beek: Et maogerste pèrd steeke de blèndaozen et hardst. - De armsten hebben het 't hardst te verduren; Pierre van Beek – Er bestaan verschillende Nederlandse uitdrukkingen en zegswijzen, die wij in Tilburg op een geheel eigen wijze ""vertalen"". Zo komt ""van de vliegen naar de blèndaozen"" (een soort stekende insecten, die men vooral langs de waterkant aantreft) overeen met ""van de regen in de drup"". (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950); Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ""blendoas"" - daas, paardenvlieg; Van Delft - ""Dat is van de vliegen naar de blindazen"" wil zeggen: Dat is van den regen in den drop. Ook hoorde ik hiervoor: ""Het is van pissebed op kakkebed."" (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929); WBD III.4.2:128 'blinddaas' - daas (Tabanidae), ook genoemd: 'horzel' of 'daas'; WBD III.4.2:131 'blinddaas' runderhorzel (Hypoderma bovis), ook genoemd 'runderhorzel' en zelden 'bisworm'; WBD III.2:134 'blinddaas'- paardenhorzel (Gastrophilus intestinalis ook 'paardenwesp' genoemd); Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): blindaas (II:76); A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blèndaos zelfstandig naamwoord vr. blinddaas, paardevlieg; Antw DAAS zelfstandig naamwoord mannelijk+v. tweevleugelig insect, aschgrauw van kleur, ook 'blinddaas' en 'dazerik' genaamd .Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992: blèndaos - daasvlieg; Str. blendaos (I:59); WNT BLINDDAAS ""Blinde dazen of Blindazen, welke benaming, deze dieren (t.w. de paardenvliegen) verschuldigd zijn aan de onbesuisdheid, waarmede zij somwijlen tegen helderwitte muren aan komen vliegen""."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal