elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blinde

blinde , blinde , voor: slok, teug, in: ’n blinde nemen = eene teug uit de jeneverflesch zooals op de jacht en bij ’t visschen. Aldus omdat men dan niet weet hoeveel men krijgt, of: zooveel kan nemen als men verkiest, en zooveel als: drinken in den blinde.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blinde , bleende , vrouwelijk , bleenden , paardevlieg
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
blinde , bleenn , zelfstandig naamwoord, mannelijk , bleenn , 1 blinde man, 2 grote, bijtende vlieg
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blinde , [insect] , blinden , grijze, vlinderachtige insecten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
blinde , blinden , steekvliegen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
blinde , blinde , de , blinden , Var. als bij blind = 1. blinde Daor leup een blinde mit zien stok langs de hoezen (Bov) 2. steekvlieg (Zuidwest-Drenthe) De koenen zit onder de blienden (Hgv), zie ook mugge, blinse
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blinde , blinse , de , blinsen , (Nsch) = steekvlieg, blinde vlieg
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blinde , bliende , bliene, bliending, blien , zelfstandig naamwoord , de, et 1. (veelal mv.) blind, vensterluik (vaak aan de binnenkant van het huis, i.t.t. de loeken aan de buitenkant) 2. blind iemand 3. steekvlieg, blindaas, regenvlieg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blinde , bliende , zelfstandig naamwoord, meervoud , luiken aan de binnenkant van een raamkozijn (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blinde , blinj , (vrouwelijk) , blinje , 1. vensterluik 2. blinde vrouw , Saoves de blinje toedoon.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
blinde , [blinde man] , blinje , (mannelijk) , blinje , blinde, blinde man
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal