elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blok

blok , bloken , vrouwen klompen met lederen bovenstukken
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
blok , blok , offerblok in de kerk. In Oosterhesselen was dit zoogenaamd armblok een uitgeholde paal staande in den grond, van boven gesloten met een deksel, waarin eene sleuf of nauwe opening om de liefdegaven er in te storten. Gron. blok, kerkeblok, soort van, op eene paal staand, verzegeld kastje, van boven van eene sleuf voorzien waarin de collecten worden gestort: ’t blok lichten = ledigen. Het woord: blok, Nederl. Oostfr. blok, Oudfr. block, Zw. block, ONoorsch. blökk, MHD, blokh, uit het OHD. biloh, piloh (bilühan = besluiten, insluiten) samengetrokken, beteekent een voorwerp dat iets afsluit of insluit, eene afsluiting. Toen men in oude tijden nog geene draaibare deuren kende, bezigde bezigde men als sluiting der huizen zware boomstammen, ook wel rotsbrokken. – biloh = uit bi = tot, bij, in, enz. en: loh = Loch.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blok , blok , zie: hooiblok.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
blok , blòk , (onzijdig) , blö̀kke , blok.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
blok , blok , op eene soort van paal goed verzegeld kastje in vele kerken, waarin des zondags de collecten worden gestort; ook bestaat het geheel wel uit één stuk hout; ’t blok lichten = de gelden er uithalen, ’t geen door de diakenen op gezette tijden gedaan wordt. Zuid-Nederlandsch, West-Vlaamsch blok = bus in eene kerk of in een gesticht voor de aalmoezen. (Van Dale: offerblok, kistje voor aalmoezen, in de kerken opgehangen); de blok wordt de kast genoemd, waarin op het stadhuis te Nijmegen de bewijsstukken der Privilegiën, door de Duitsche keizers aan die stad geschonken, bewaard worden. Middel-Nederlandsch bloc. Eene kist. (Offerblok; Doodkist). Ook: een door eene gracht of heining afgesloten akker. (Verdam). Zie ook: blokploatse. Vgl. ’t Fransche tronc, Hoogduitsch Opferstock.
voor: log, lomp, dom vrouwspersoon, ook godsblok, gorsblok. (Conscience: Zie de dochter eens, dat gaat blok weg en komt juffrouw terug.)
een houten blok, elders kluister geheeten, dat men den paarden aan een der voorpooten hecht om ze in de weide te houden; fig. voor: klein kind, zuigeling, of ook: lastige vrouw; ʼn bōngel an ʼt bijn hebben = niet vrij kunnen uitgaan, wanneer en waarheen men wil, aan banden liggen. – Voorts een houten voorwerp, soms in den vorm van een kruis, dat den jachthonden om den hals wordt gehangen volgens art. 24 der Jachtwet van 1852, en aldaar kruisbungel, Groningsch kruisbōngel, kruusbungel, genoemd. Zie: bōngeln; blok an ’t bijn, zie: bōngel.
in geschrifte dorschblok; werktuig om graan, raapzaad, enz. te dorschen. Het heeft den vorm van een’ afgeknotten kegel en wordt door een of twee paarden in eene rondwentelende beweging gebracht. Gewoonlijk zegt men: wie dörsken mit ’t blok. In advertenties biedt men te koop aan (bv.) “koolkleed met blok en toebehooren.” En zoo leest men ook: “– hoe weinig nog heeft de langzaam werkende dorschrol (dorschblok) voor goede dorschmachines plaats gemaakt.”; bij verkorting voor: dörsblok; zie aldaar;
blok hooi (Ommelanden) = heubult (Oldampt) = hooiklamp, hooimijt, hooihoop buiten ’s huis, Noordfriesch klomp. Ook spreekt men van een blok stroo wanneer dat in zulk een vorm is opgezet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
blok , blok , blook , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , meerv. bloken en blooks. Daarnaast ook blook, mannelijk (?) Als naam van vele stukken land; thans merendeels onbekend. || Onder Assendelft: Pieter Wittetiaen een bloc after Bilemans, Hs. v. Egmond, f° 11 r° (13de e.). Item een sticke bi Heynetiaens bloke, ald., f° 11 v°. Die groote bloock, Polderl. Assend. 1, f° 269 r° (a° 1600). Dat grote block, dat cleyne block, ald. f° 272 r°. Die cleyne bloock, ald., f° 272 v° (a° 1600). tBlock, Maatb. Assend. (a° 1635), tBlockweer (in Buitenhuizen), Hs. U. f° 231 r° (a° 1581), prov. archief; Polderl. Assend. I f° 132 v° (a° 1600). – Ook de sloot, lopende van de weg tot de IJdijk nabij Nauerna heet de Bloksloot (a° 1458). Reeds Handv. v. Assend. verv. 385: Blocsloot (a° 1458). – Te Krommenie: Het Blok (een der delen van het dorp; gelegen tussen Vlus en Noordend); hierbij de Bloksloot. Verder liggen aldaar in het Noordend: De bloocken, Hs. U. 137, (a° 1593), prov. archief; de blooken, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 101; ’tbloock, ald. (a° 1680), f° 58. Bloke-ventje (403 roeden), Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 43, tblooke-ventje (710 roeden), ald., f° 103. – In de ban van Oostzaanden: De blooks, Polderl. Oostz. II (a° 1756). – Het Blok te Krommenie ligt niet tussen Vlus en Noordend, maar is tegenover de Vlus gelegen en loopt met een brug rechthoekig daarop uit. – De juiste betekenis dezer namen is niet met zekerheid te bepalen. Wellicht is zij dezelfde als die van O.-Fri. blokakker een korte dwarsakker, die de grenzen van langere akkers raakt. – De naam is ook elders in N.-Holl. zeer gewoon. Vgl. voor de Middeleeuwen nog: Een blocketiaen (blokje) an dat lant van over zee, item een bloc tjegen Willem Flores zones huse (de Wijk, 13de e.), Hs. v. Egmont, f° 17 v°. Aleyt Willaem Knapen een bloc tende Gherrit Heynen grote acker, item drie bloke after die kerke, ald., f° 18 v°. Vgl. voor Blokweer de dorpsnamen Ooster- en Westerblokker, waarin blokker uit blokweer is vervloeid. – Vgl. de samenst. hangeniersblokje, holleblok, Kersblok, kroosblok, kussenblok, laadblok, naslagsblok, potteblok, PRUMMELBLOK, schilpblok, sleedsblok, stuitblok, stutblok, trekkerblok, voorslagsblok.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blok , blok* , Fransch trone, Hoogduitsch Opferstock. Zie ook legge *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
blok , blok , zelfstandig naamwoord, onzijdig , blukke , bluksen , blok, brok
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
blok , blök , m, mv , blokken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blok , blokke , blök , mv , klompen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
blok , blokken , 1. blokken. 2. overblijvende gedeelten in het veen die afzonderlijk worden vergraven
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
blok , blok , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze d’r valt nag wel wat van ’t blok, er schiet nog wel iets over. Blok duidt hier op het hakblok van de slager. – Voor ’t blok zet worre, voor een moeilijke keus of beslissing worden geplaatst. Blok duidt hier ofwel op het schandblok, ofwel op het blok onder de valbijl.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blok , bolk , zelfstandig naamwoord de/’t , Onvruchtbaar stuk land, stortplaats of aanplemping van afval, puin e.d. Het woord is als ’t bolk vooral in De Streek gangbaar. Vgl. Middelnederlands bloc, bolc = beloken of ingesloten land.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
blok , blukkie , blokje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
blok , blok , bluk , blokken , Ook bluk (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, wm) = 1. blok As het holt kepot mot, doej het in blokkies (Sle), Olde meinsen waren vrogger vaeke een blok an het been (Die), Wat een blok van een meid, dei het bainen as gebinten van een schure (Vtm), Wij begonden gewoon te spitten of te stikken. Het wörde an blokken steuken, die op de wal egooid wörden; dan wörde het blok in veren esteuken en veurzichtig op de krooie zet blok veen (Dwi), Een blok heui (Oos), ... mizze (Eco), Een blok van een peerd (Hijk), ... koou (Eex), Bij het blokgooien haj een blok of blokkie (Smi) 2. veenplaats of stuk heideveld In het viefde blok bint ze an het wark (Pdh), Zij hebt er ok nog een blok veld (Eex) 3. katrol (Zuidwest-Drenthe, zuid) 4. offerblok Het blok wör licht in de kerk (Row) 5. onderdeel aan de ploeg bij het werken met twee paarden (hy: Zuidwest-Drenthe, zuid), zie ook klep 6. huizenblok Ik loop nog even een blokkie um (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
blok , blok , blok
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
blok , blök , klompen , De knapsten boer pist nog wél'les óp z'n blök. De knapste boer plast nog wel eens op zijn klompen. Ook de beste maakt wel eens ‘n fout.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
blok , blok , zelfstandig naamwoord , et 1. blok hout 2. blok om op enigerlei wijze op of mee te (be)werken 3. all. in verb.: blok, historisch strafwerktuig, bijv. veur et blok kommen voor het blok komen te zitten, gedwongen zijn tot een keus 4. offerblok 5. lichaam uit (min of meer) zware stof 6. blokvormig voorwerp 7. blokvormig stuk aangebracht ter verhoging, verdikking 8. hetz. als bongel, bet. 1 9. grote, zware persoon, dier, voorwerp 10. blok uit een blokkendoos (speelgoed) 11. rechthoekig of vierkant stuk (oppervlakte) 12. blokvormige figuur of motief 13 blok postzgels 14. groep huizen die min of meer een eenheid lijken te vormen, groep barakken in een kamp 15. coalitie 16. aaneengesloten deel; blokkien, et 1. verkl. van blok 2. melkstoeltje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
blok , blok , (zelfstandig naamwoord) , blukkien , blok.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
blok , blùkske , blokje , ’n Blùkske hèwt. Een blokje hout., ’n Blùkske um loope. Een blokje om lopen. Eventjes wandelen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
blok , bluk , 1. blok; 2. melkblok, melkkrukje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
blok , blok , zelfstandig naamwoord , klomp (Eindhoven en Kempenland); blèùk); klompen (Helmond en Peelland); blök; klompen (Helmond en Peelland);
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blok , blòk , zelfstandig naamwoord , blökske , blok; WBD 'óóver dem blòk trékke' (II:1389) - over de blok trekken (de pet over de vorm trekken; blok = ijzeren vorm); WBD blok, mv. blòkke (II:1389) - blok (houten vorm voor petten); blökske; verkleinwoord van ‘blòk’; blokje, ommetje; Cees Robben – z’n blökske wir lôôpt.. (19590516)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal