elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bunzing

bunzing , bunsel , brōnzels , bunsel (Oldampt, Westerwolde) = meert (Ommelanden) = urk (Stad-Groningsch) = brōnzel = bunzing, bonzing. Drentsch, Overijselsch, Geldersch, Bremen ulk; Noord-Brabant vis, Friesch mud, murd; Kil. ulck, ullick (Sicambr. Holl.; Fris. visse), bonsinck, bontsinck, buntsinck; Oostfriesch bünsel, ülke, Nedersaksisch ulk, ilk (verouderd), Noordfriesch ölk, Oud-Friesch ulke. Zegswijs: hij stinkt as ’n ulk (Oldampt) = hij stinkt as ’n bunsel (Ommelanden), bij v. Dale: hij stinkt als een bunsing. – bontsing zal zijn: bont, met den uitgang: ing, met tusschengevoegde s als 2 naamval vorm; door verwisseling met: sel, verbasterd tot bunsel. – ulk, urk (zie: ulk). Hoogduitsch iltis. Vgl. meert.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bunzing , bunsel* , “vis” of “visse” van ’t Latijnsche Mustula vision.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bunzing , bunsel , 1. bunzing. 2. kleinkind
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
bunzing , bonksum , bunzing
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
bunzing , bongsem , bonsem , zelfstandig naamwoord de , Bunzing; ook bongseling, bonseling.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bunzing , bössem , zelfstandig naamwoord , bunzing. Vannaacht hè ’nen bössem alle aajer òpgevreejte.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
bunzing , bunsem , zelfstandig naamwoord , bunzing (KRS: Hout LPW: Mont, Bens, Lop, Pols) Voor de -em in plaats van -ing zie hoofdstuk 2, punt C.3. Ook in de uitdrukking hij stink as een bunsem : stinkt zeer hevig (LPW: Mont). Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 45). Gouda heeft bonsem en bonseng (Lafeber 1967, p. 74).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bunzing , bulsink , bunzing.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bunzing , bulsink , bunzing.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
bunzing , buusling , buunsling, buunzeling, buzelk, beunzeling, beunzel , buuslings , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook buunsling of buunzeling (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe), buzelk (Zuidoost-Drents zandgebied), beunzeling of beunzelink (Zuidwest-Drenthe), beunzik (Zuidwest-Drenthe, zuid), buzink (Zuidwest-Drenthe, zuid), buunzik, buuzink (Zuidwest-Drenthe, zuid), buunzing (Zuidwest-Drenthe, zuid), beuinzelk, beunzelk (Midden-Drenthe), bunzel (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe met rekking), bunzelk (Midden-Drenthe), bunzing (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. bunzing, Putorius foetidus Een buunzeling steelt nooit op eigen arf (Hijk), Der hef een beunzelk maank de hoender zeten (Bal), Hij stinkt as een buunsling (Dwi) 2. kwajongen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drenthe) Het is een bunzelie van een kwaojong (Row), zie ook ulk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bunzing , bunzink , bulzik , (Kampen) 1. bunzing; 2. kwajongen (Kampereiland, Kamperveen). Ook: bulzik (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bunzing , bulsenk , bunzing.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
bunzing , beuzeling , beuzing , zelfstandig naamwoord , de; bunzing
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
bunzing , bôôsum , bôôñsum, boñsem , zelfstandig naamwoord , bôôsums, bôôñsums, boñsems , bôôsumpie, bôôñsumpie, boñsempie , bunzing, stinkmarter Zie bôôñsem
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bunzing , bunzink , (zelfstandig naamwoord) , bunzing. Uitdr.: IJ stinkt as een bunzink ‘hij stinkt ontzettend’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
bunzing , bussing , bunzing
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
bunzing , bulzing , bulzik, bulzink, bunsem, bunzik, bunzig , 1. bunzing; 2. kwajongen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bunzing , bonsem , bössem , zelfstandig naamwoord , bunzing (West-Brabant); bössem; bunzing (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bunzing , bössem , zelfstandig naamwoord , "bunzing; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - stinken as nen bössem (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 197l); Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bössem - bunsing; Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bössem ""'t is zò'ne lieven bössum""; WBD III.4.2:51 'buisem', 'bunzing', 'fis' (Mustela putorius); WBD III.4.2:52 'buisem' (Korvel) - fret (Mustela furo); WBD III.4.2:54 'buisem' - marter (Martes foina), ook genoemd: 'steenmarter', 'fluwijn', 'fretje', 'fret', 'eierwezel'; A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): geeft 'bôôssem' met de vocaal van dôod (blz. 156); Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – ; (1992): bössem - bunzing; WNT BUNZING - de vormen op -ing staan tegenover die op -em als bokking tegenover bokkem."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal