elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bussel

bussel , bussel , Meer busselke. Een klein boschje, hetzij een gebonden bussel stroo, hooi, rijs, enz., ’t zij eene te veld staande verëeniging van opgaand geboomte of
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bussel , bussel , zelfstandig naamwoord de , 1. Oude inhoudsmaat, te weten 36.4 l. 2. Lage, ronde ooftmand. Vgl. Engels bushel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
bussel , bussel , zelfstandig naamwoord , rond mandje van gevlochten teen, voor het vervoer van kersen (KRS: Bunn; LPW: IJss) Zie de artikelen Uit de historie der Bunnikse boomgaarden, Kersen in IJsselstein en De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
bussel , bussel , ronde mand van twijg, b.v. voor pruimen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
bussel , bussel , ronde, rieten mand. In deze manden, met een doorsnee van 50-60 cm, werden de kersen naar de veiling gebracht.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bussel , bussel , zelfstandig naamwoord , bussels , busseltie , ronde fruitmand
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
bussel , bussel , hoeveelheid , pak t’is n’n bussel wooj vur ’t pèèrd = pak eens wat hooi voor het paard-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
bussel , bussel , bos hout, rieten mandje voor bessen e.d., inh. ca. 5 kg.
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
bussel , bussel , bosje stro of takjes (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
bussel , bössel , bussel , zelfstandig naamwoord , klein bos (Helmond en Peelland); bussel; bundel (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bussel , bössel , (vrouwelijk) , bössele , bösselke , 1. bundel, bos, bussel 2. een stevige meid , Ei bösselke blome plökke in ’t veldj en det bie Maria nieërzètte. Ein bössel struue.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bussel , bussel , bösselt , zelfstandig naamwoord , busselke , "bundel, b.v. samengebonden groenten, 'bos', 'buske'; bussels - dennebossen; Stadsnieuws: En vrouw meej ene flinken bussel hout vur de deur (140609) - een vrouw met een weelderige boezem .WBD III.4.3:84 bussel takke - takken (collectief), ook genoemd: krôon, kòp, bundel of gewaaj; WBD III.4.3:96 bussel, bussels - dennenbos (bos bestaande uit naaldbomen) ook genoemd: mastbossen, mastenbos of maast; WBD III.2.3:79 'busseltje' = bundel groenten; WBD III.4.4:258 'bussel' = bundel; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - BUSSEL: een bundel, bosch. Kiliaen en Plant .J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUSSEL zelfstandig naamwoord vrouwelijk en niet m. -bunsel, bondel; luren, luiers, zwachtels: E kind in de bussel doen .J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BUSSEL voor bundel koorns, of voor een bos hout, hooi of stroo. Z.a .WNT BUSSEL - bos (van takken, stroo, pijlen enz.); bösselt; afval van gerst bestemd voor veevoer; bösselt; afval van gerst bestemd voor veevoer; busselke; verkleinwoord; bundeltje, busseltje; WBD III.4.4:258 'busseltje' = bundel; WBD III.2.3:79 'busseltje' = bundel groenten; 1. Dodenteken; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992): busselke - busseltje. Werd voor de woning geplaatst waar iemand gestorven was. z.a .Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): busselke - bundeltje, bosje; zie wèpke; Kalender 30 nov. 2007: 'Busseltje of 'wèpke’. Twee namen voor een uiting van volkscultuur waarmee elke Tilburger ooit te maken kreeg. D.m.v. een busselke of een wèpke werd het overlijden van iemand publiek gemaakt. Dit gebruik is in Tilburg kort voor het uitbreken van de 2e W.O. verdwenen. In de regio Tilburg kwam het tot in de jaren '50 voor. Op het Regionaal Archief Tilburg worden nog een paar originele Tilburgse wèpkes bewaard. Met een busseltje stro voor de deur van een sterfhuis werd de passanten verteld dat hier iemand overleden was. De herkomst is mogelijk te verklaren uit het afleggen van een dode op stro. Aan een busseltje was te zien of de overledene een man, een vrouw of een kind was. Het busseltje werd op zijn plaats gehouden door een paar stenen. Bij een volwassene waren dat er vijf, bij een vrouw vier en bij een kind drie ook de kleur van de versiering met lintjes was verschillend. In Tilburg werden het bundeltje stro en de stenen op den duur vervangen door een nabootsing in hout .LDM: Direct na het sterven liet men aan de voorzijde van de woning de valgordijnen omlaag en werden de vensterluiken gesloten. Voor de deur plaatste men een stro-""busseltje"". Dit busseltje was circa ½ meter lang en had een doorsnede van ongeveer 20 cm. Aan de voor- en achterzijde hiervan werden 5 en aan iedere zijkant één baksteen schuin liggend opgezet; in het midden, bovenop een houten bord, in de vorm van en met het bekende dodensymbool, doodshoofd met daaronder de gekruiste beenderen, er op geschilderd. Was de overledene niet gehuwd, maar had hij of zij de eerste H. Communie gedaan - waren zij dus boven de leeftijd van elf, twaalf jaar - dan stak men aan weerszijden van het doodshoofd over de gehele lengte palmtakjes, die dan nog werden versierd met witte papieren strikjes en strookjes. Binnenshuis werden de spiegels omgedraaid. Dus met glas naar de muur gehangen. Het stro-""busseltje"" buiten zowel als de omgekeerde spiegel binnen hadden hun symbolische betekenis. Het dorre rijpe afgemaaide stro duidde op het afgesneden leven en de omgekeerde spiegel? Toen wij voor de eerste maal zo'n omgedraaide spiegel zagen, vroegen we aan vader wat dat betekende. Waarom men die spiegel andersom had gehangen en wij kregen ten antwoord: ""Ja, jongen, dat heeft men gedaan, omdat er nu een andere spiegel in huis is, waarin de mensen zich kunnen bekijken!""... Of de stenen ook een symboliek hadden, hebben wij nooit kunnen achterhalen. Waarschijnlijk dienden deze dus alleen om het omrollen of wegwaaien van het stro te voorkomen. Later werd het stro vervangen door een rond hout van dezelfde vorm en omvang als stro geschilderd. De stenen werden door plankjes vervangen in gelijke grootte, in steenkleur geverfd met in het midden een zwart kruisje en omlijst met een zwart randje. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 ‘Doden-cultus van eertijds’; NTC – 16-11-1950); Dikkels ging et ôok oover de dooj in de buurt. Dè waare we dan gewaor gewòrre omdè de gerdèène daor dicht waare òf omdètter zon busseltje vur de deur ston. As daor witte strikskes òn zaate dan waarder en kiendje dôod. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002); 2 bundel, met name dichtbundel; Piet Heerkens - M'n twee vurrige busselkes ""Örgel"" en ""Mus"" wieren over et algemeen heel goed onthaold en hier hedde dan busselke drie ""de kinkenduut"", oftewel de kikvorsch. (Voorwoord in ‘De Kinkenduut’, 1940)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal