elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buurten

buurten , buurten , noemen hier de mindere standen het bij elkander komen van ‘geburen’ om door kout den tijd te slijten, en bijv. den avond des winters kort te doen vall
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
buurten , buurten , (zwak werkwoord, intransitief) , Een buurpraatje houden. || Me werk is of, ik gaan nog ers buurten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
buurten , buurtjese , werkwoord , Zie buurte.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buurten , buurte , werkwoord , Een wandelingetje in de buurt of een buurpraatje gaan maken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
buurten , buurte , mit ów bekende (buure) wát klasjenere.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
buurten , buurte , werkwoord , gezellig kletsen. Buurte rond d’n hèrd of zò mar in de straot meej de stoele òp de stoep was tot aan de oorlog een wezenlijk en kostelijk deel van het gemeenschapsleven. Dè moete we on zien te haawe, dichtte Thieu Sijbers. Vergeefs ... Zie ook: gebuurt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
buurten , buurten , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. op visite gaan bij de buren Koomt bij oons mar ies weer buurten (Dwij) 2. buurman zijn (Zuidwest-Drenthe) Wij buurt tot aan de Brouwers (Ruw), Daor bure wij niet meer mit (Zdw), zie ook buren, naobern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buurten , bùùrten , kletsen. ze dinne vruuger veul buurten, vroeger werd er met elkaar veel gezellig gekletst.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
buurten , buurten , praatje maken met de buurman
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buurten , buurte , praten , Blé nog éfkes buurte, ge héd d’n tiid toch vórt ôn'new aojge, ge héd niks te verlètte. Blijf nog even praten, je hebt de tijd nu toch aan je zelf, je hebt niets meer te doen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
buurten , buurten , werkwoord , buurten, een buurpraatje maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buurten , buurte , werkwoord , buurt, buurte, gebuurt , buurten, bloken, kortavonden
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
buurten , buurte , kletsen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
buurten , buurte , burte , buurten, een praatje maken
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
buurten , burte , burenbezoek afleggen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
buurten , buurte , werkwoord , gezellig kletsen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
buurten , buurte , zwak werkwoord , buurte - buurtte - gebuurt , gezellig babbelen (oorspr. met buren); — korte uu; Et wèèf zit wir èrgerhaand te buurte. Omdè de aovenden zô lang zèn hô 'k besloten wè te gon buurten bij Bartje Bollekes... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29); Cees Robben – Ge speult wè kaort en buurt en praot (19601125); Ons Drieka schèènt op tilleviesie/ omdè ik iederen aoved kèèk/ zij wil liever aaltij buurte/ mar deeze week krêeg ik gelèèk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zôo gao dè dan, zeej Peer); Ik wier prompt teruggestuurd dur onze vadder, die daor op de plaots stond te buurten meej enne maot van et wèèrk. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Buurte, thee drinke meej un kuukske. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); WBD III.3.1:42 '(gaan) buurten, 'smoren en ouwehoeren' = kortavonden; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – ; (1992): buurte - gezellig kletsen; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BUURTEN onov.ww, praten als met buren, zonder gewichtigheid en in der zelfde taal; een tot niets verplichtende conversatie voeren. Z.a. J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUURTEN - den avond al koutende bij den eenen of anderen gebuur gaan doorbrengen. J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BUURTEN, ook wel kortavonden; z.a. A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bürte(n) zw.ww.intr. - ergens een bezoek brengen en er blijven praten (wat helemaal niet in de buurt hoeft te zijn) Z.a. WNT BUURTEN - in de buurt een bezoek brengen, met een buur gaan praten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal