elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: canaille

canaille , knaalie , zelfstandig naamwoord, mannelijk , knaalies , lastpost
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
canaille , kanallie , kenajje , v , ba(zi)ge vrouw (canaille); [F.: la canaille] canaille (gemeen, min vrouwspersoon).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
canaille , kernollie , zelfstandig naamwoord , helleveeg. Misschien afgeleid van kanaille. Is alleen van toepassing op vrouwen.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
canaille , karnallie , wijf. wa’s dè ’n aorig karnallie, wat is dat een raar vrouwspersoon.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
canaille , kenaelie , schreeuwerige vrouw. Zo’n kenaelie van ’n wief wat giet zie te keer!
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
canaille , kernôllie , gemene vrouw , Meej die vrouw daor kunde gin riecht meej schiete, dé's 'n nippege kernôllie. Met die vrouw daar kan je geen kant mee op, dat is een lichtgeraakte helleveeg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
canaille , kanallie , karnallie, knàllie , 1. wijf; 2. kreng
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
canaille , kunollie , kurnollie , vrouw waar bijna niet mee te leven is, iemand die altijd gelijk wil hebben en altijd en overal baas wil zijn, kortom een kwaoje vrouw
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
canaille , curnállie , canaille, gemene vrouw
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
canaille , kernalje , kernallie, kamallie, kernòllie, knallie , zelfstandig naamwoord , gemene, bazige vrouw (West-Brabant; Eindhoven en Kempenland) ; kamallie; bazige vrouw (Helmond en Peelland) kernòllie; bazige vrouw (Tilburg en Midden-Brabant); knallie; bazige vrouw (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
canaille , [feeks] , kenalie , kernalie, knalie , (vrouwelijk) , feeks, kenau, canaille , Det is ein echte kernalie.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
canaille , kernòllie , zelfstandig naamwoord , "Uit het Frans: canaille; Daamen - Handschrift 1916:  ""karnalje - une canaille""; R kernòllie; H. van Rijen (1988): kreng, gemeen vrouwspersoon, helleveeg; Ieder viswèèf is nòg gin kenòllie. - Ieder viswijf is nog geen kanalje. Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  't was zo kernaolies heet; Cees Robben – Naa-nie entele.. kernollie... (19580802); Cees Robben – [Echtgenoot met blauw oog spreekt:] Ik zaag meej unne schiem desse sloeg, de kernollie... (19680920); Frans Verbunt:  'knòllie' - bazige vrouw; WBD III.1.4:109 'canaille' = ondeugende vrouw; WNT KANALJE, in den volksmond veelal KARNALJE 1) verachtelijke benaming voor het gewone volk, het gepeupel, het janhagel; 2) gemeen persoon Verbastering van fr. 'canaille'; Bont k?rna'li, zelfstandig naamwoordvr. 'kernalie' - helleveeg (uitsl. v. vrouwen en bepaalde vrouwelijke dieren als geit en koe gezegd). Antw CARNALIE (uitspr. kärnöll?) zelfstandig naamwoord v.- boosaardig, slecht wijf, Fr. canaille; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): 'kernollie' zn - helleveeg; Hees kernollie, kanoelie (II:50); Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters: Knallie 'n Knallie is een strenge vrouw / ze heeft veelal een harde stem / haar eisen zijn zo zout als brem: / juist daarom staat ze in de kou."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal