elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: champetter

champetter , sjappose , Met dien naam hoorde ik ouderen dikwijls een politieagent betitelen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
champetter , sjappose , Met dien naam hoorde ik ouderen dikwijls een politie-agent betitelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
champetter , sjampetter , zelfstandig naamwoord , veldwachter (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
champetter , sjampètter , zelfstandig naamwoord , uit Frans: champêtre; veldwachter; bij Robben als scheldwoord voor een man die naar vrouwen loert; Cees Robben – Kaole sjampetter. (19671027)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal