elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: contrefort

contrefort , kóntefóór , hielstuk , Duu die schoen nouw meej de schoentrèkker ôn, ge trapt hil die kóntefóór kepot. Doe die schoenen nu met de schoenlepel aan, je trapt heel het hielstuk kapot.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
contrefort , komfoor , zelfstandig naamwoord , [O, Fra, contrefort] belegstuk aan de hiel van schoenen en laarzen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
contrefort , kontefort , stukje leer ter versteviging van de hiel in de schoen , wa lwopte mijelijk? = wat loop je moeilijk?- ja, m’n konteforte zitte te naaw = ja, de hiel van m’n schoen knelt-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
contrefort , konterfoor , kontefoor , zelfstandig naamwoord , hielstuk van een schoen (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal