elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: cornelisroos

cornelisroos , kernillesròòs , zelfstandig naamwoord , pioenroos (paeonia). Behoorde vroeger tot de vaste aanplant van een boerentuin. De herkomst van de naam is onduidelijk.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
cornelisroos , knelisroze , de , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = soort pioenroos, Paeonia Tourn. Een knelisroze is een wintervaste plaante (Ruw), Witte knelisrozen roekt zo lekker maor bint wel wat later dan rode pioenrozen (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
cornelisroos , kernèllesróóze , pioenrozen , Wa hébbe die kernèllesróóze hier d’n aord toch, die stôn'ner mals bè, t’is enörrem. Wat gedijen die pioenrozen hier toch, die staan er mals bij, het is geweldig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
cornelisroos , knelisroos , zelfstandig naamwoord , knelisroze , knelisroossie , pioenroos
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
cornelisroos , knillisrwôôs , pioenroos
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
cornelisroos , knelisroeôôze , pioenrozen
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
cornelisroos , kenillisroos , kernillusroos, knillusroos , zelfstandig naamwoord , pioenroos (West-Brabant); kernillusroos; pioenroos (Eindhoven en Kempenland); knillusroos; pioenroos (Den Bosch en Meierij; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
cornelisroos , kernillesrôos , knillesrôos , zelfstandig naamwoord , pioenroos (paeonia), kornelisroos (Paeonia); WBD (III.2.1:433) kernillesrôos = pioen (Paeonia officinalis), ook genoemd pioenroos, klaproos; In aanvangssyllabe eerst vooaalreductie, daarna contractie. Bont k?rne'l?srö.s, zelfstandig naamwoordvr. - Cornelisroos, pioenroos; Antw. CORNELISROOS (uitspr. cornell?sroeës) zelfstandig naamwoord v. Pioen, Fr. pivoine; Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): 'kernillesròòs' zn - pioenroos; knillesrôos; kornelisroos, ook pioenroos - Paeonia officinalis; Hees knillesroos (VI:31,34); Str. knillesrôos (2:75)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal