elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: creperen

creperen , kêrpijêrn , krappijêrn , niet van eene ziekte of (bv.) van een val herstellen = sterven. Hoogduitsch crepieren = omkomen; v. Dale: crepeeren, ellendig omkomen, sterven van gebrek. Van ’t Latijnsche crepere, crepitare = bersten, splijten, scheuren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
creperen , krampére , krimpére , werkwoord , Verkrampen, ineenkrimpen, creperen. | Hai lag te krampéren van de poin.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
creperen , creperen , kramperen, krapperen , Ook kramperen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe), krapperen (Veenkoloniën), beide alleen in bet. 1. = creperen Hie is crepeerd dood (Sle) Hij lag op de grond te kramperen van piene (Vri), In sommige landen krapperen de mensen van de honger (Twe) 2. klagen, zeuren (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) Hai crepeert nogal aordig (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
creperen , krampiire , kronkelen , Héij li te krampiire van de bûkpént, és'sie't mér nie ôn zun'ne bléndendáérm hi. Hij ligt te kronkelen van de buikpijn, als hij het maar niet aan zijn blindedarm heeft.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
creperen , kreperen , kramperen , werkwoord , creperen van armoede, gebrek aan voedsel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
creperen , kramperen , (werkwoord) , kramperen, ekrampeerd , creperen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
creperen , krampeere , werkwoord , creperen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
creperen , krampeere , zwak werkwoord , kreperen; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, Meer in het bijzonder d’Oerse taol, 1958 etc. - ; krämpe.r?(n), zw. ww. intr. 'kremperen' (met invloed van 'kramp' misschien); - kreperen, onder hevige, krampachtige pijnen omkomen. WNT KREPEEREN - KRAPEEREN, Nhd. krepieren - Sterven. Alleen in gemeenzame taal In Z.-Nederl. onbekend. Wsch.door bemiddeling v.h. Hoogduits uit het Italiaans afkomstig 'crepare' = barsten, en bij uitbr. 'sterven'. Vgl. CREVEEREN. Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 – ‘Diverse Meijerrijse woorden’ - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook (...) krampiere...
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal