elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: cuisinière

cuisinière , kwiezejèèr , zelfstandig naamwoord , fornuis. Forse, vierkante keukenkachel die met kolen of hout gestookt werd. Van het Frans cuisinière.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
cuisinière , kwiezejèèr , kookkachel , Ne kwiezejèèr was 'n vierkantege kachel meej nen ooven 'r in, dé was paas luuks. Een kookkachel was een vierkante kachel met een oven erin, dat was pas een grote luxe.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
cuisinière , kwiesenjèèr , kookkachel met oven
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
cuisinière , kwiezjèr , kiesjère , franse keukenkachel
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
cuisinière , kezjèèr , kwiezjéér , zelfstandig naamwoord , fornuis (West-Brabant); kwiezjéér; fornuis (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
cuisinière , kwiezjèèr , zelfstandig naamwoord , fornuis, cuisinière; vierkante kookkachel met een of meer ovens, waarop men verschillende dingen tegelijk kan koken, braden of stoven; Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) – 'kwizienjaire'; Henk van Rijen – 'kwiezejèèr'; WBD (III.2.1:232) 'cuisinière' = fornuis, ook 'kookkachel' genoemd; Verbastering van 'cuisinière' (fr.); Jan Naaijkens, Dè's Biks - 1992 - 'kwiezejèèr zn - fornuis; Heestermans, Witte nog? Over Bergse en Westbrabantse woorden en uitdrukkingen; 8 dln. 1988-1994. - kwiesjèère (II:66); WTT 2012 in het Tilburgs ook aangetroffen als een kachel met aan de bovenzijde kookplaatsen waarvan de omvang kon worden bepaald door ringen. Namelijk: Elie van Schilt - We hadden gin CV. wel unne kwiesjeer of platte búïs. (Uit: ‘Tèèd’; CuBra ca. 2000); Elie van Schilt - Zelf ben ik van aacht en twintig, ut irste wet ik me nog kan herinneren is dek 's mérugus wakker schrok dur ut geweld van de kwiesjeer die aongemokt wier dur men moeder. Dun deksel en de ringen wieren er allemal afgeschoven, de russel wier omgekiepert, dan ut gepiep van de aslaoi die wier dan op dun hofpad in de kolenzeef leeg gemokt. (Uit: ‘Alles is aanders’; CuBra ca. 2000)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal