elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: daai

daai , dai , daai , (Westerkwartier, Hunsegoo) = dai = warm. Friesch. daije = uithouden van de warmte. Zie: daien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
daai , doaje , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , doajn , dùejken , niet nette vrouw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
daai , daai , (Midden-Drenthe, N:Rod), kindertaal = 1. warm (N:Rod) 2. dankje (Midden-Drenthe) Hier hest een koekie, non most ok gauw daai zeggen (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
daai , daoie , 1. dromer, sufferd; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: slons
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
daai , daaie , zelfstandig naamwoord , de; slordige vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
daai , daaj , slordige geklede, niet elegante vrouw
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
daai , daoi , zelfstandig naamwoord , flinke meid (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal