elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dabberen

dabberen , dabbern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = klapperen, rammelen De pannen, die dabbert op de daoke (Nije), Het lid van de soeppanne dabbert er op, legt er maar even een lucefarsstokkie onder (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dabberen , dèbbere , drentelen , Ónze klènne dèbbert d’n hillen dag rónd. Ons kindje drentelt de hele dag rond.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
dabberen , dabbere , werkwoord , in de modder lopen of spelen (Den Bosch en Meierij; West-Brabant); dabbere; met moeite lopen (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dabberen , dabbere , zwak werkwoord , WBD III.1.2:162 'dabberen' = met schoeisel door water lopen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal