elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dansen

dansen , dansen , (zwak werkwoord) , Zegsw. Dat is anders (of andersom) as dat Kees Joor danst, dat is niet zo aardig als men verwacht had, dat valt af (Zaandam). KEES JOOR was een dwerg, die in het begin der 19de eeuw leefde; als hij danste was dat een potsierlijk gezicht. Genoemde dwerg leefde nog in de tweede helft van de vorige eeuw.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dansen , dansen , zie op *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
dansen , daansn , werkwoord, zwak , dansen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
dansen , daansen , dansen , Ook dansen (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = dansen Veur een keer ken je de duvel wel dansen leren (Vtm), Het vooltie daanst in het laand (Anl), Daor hej de poppen an het daansen (Bei), Ik daans niet naor zien piepen (Coe), Hij daanst as een veulen (Dro), Zie hebt hum een stok op de pokkel laoten daansen slaag gegeven (Sle), Hij wil van het wereldse of, hij leert nou daansen (Hgv) As de kat van huus is, daansen de moezen op de tafel (Ass), daansen in het veurhuus (Dwij); Pissen gait veur daansen het belangrijkste eerst (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dansen , dansen , daansen , (Kampen) dansen. Ook: daansen (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dansen , daansen , werkwoord , 1. dansen 2. dansen op een dansfeest, een danspartij 3. huppelen, springen 4. zich onregelmatig heen en weer, op en neer bewegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dansen , dááñse , werkwoord , dááñs, dááñste, gedááñse , dansen Dááñse was vroeger een goddelôôze beezeghaaid, ze zeeje ‘je daañst op een vulkaon’ Dansen was vroeger een goddeloze bezigheid, men zei ‘je danst op een vulkaan’ D’r wier gedááñse Er werd gedanst Vroeger wier d’r veul gedááñse in zaol Koster op Kluzwaol Vroeger werd er veel gedanst in zaal Koster op Klaaswaal
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dansen , daase , dansen , hij daas lekker jô = hij kan goed dansen-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
dansen , daanse , werkwoord , dansen (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dansen , danse , ik zie ’t nog nie dâ m’n kindere danse, zei de blinde, ik denk niet dat het gebeurt; ik geloof er niet in (ironisch bedoeld)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
dansen , daanse , zwak werkwoord , "dansen; B daanse - daanste - gedaanst/gedaanse; Kees en Bart: gedaansen (passim); - Hij heeft de fieteldans gehad. - Dit is de St. Veitsdans (dansziekte, zenuwaandoening). (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’); - De horlepiep dansen. - Doet ons denken aan een merkwaardige ziekte, die in 1954 in een Engelse zeepfabriek geconstateerd werd bij zeepinpaksters, de zg. ""zeepinpaksters-horlepiep"". Meisjes, die maandenlang niets anders doen dan elke minuut drie pakken zeep inpakken, gaan, buiten controle van de wil, rythmisch handen en voeten bewegen, terwijl het gehele lichaam heftig schokt. Het schijnt ongevaarlijk te zijn. Sommigen vinden de ziekte prettig. ""Het is net de Jitterbug ('n wilde moderne dans)"", zeggen zij. Anderen menen, dat zij op deze wijze veel vlugger werken. ""Je kunt niet ophouden, als het je eenmaal te pakken heeft."" (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’); Cees Robben – Hij daanste gewillig/ Den dôôd tegemoet... (19541211) [De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.]; Daor wier gedaanse op straot. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as de vòs oud wòrdt, daanse de kiepen óp zene rug (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - een oud mens verliest energie en gezag; Interview met de heer De Kok (1978) – Dinsdag dan hèbbe we hier karneval. Daor geef ik niks om. Daor geef ik niks om. Ik kan niemer daanse!”"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal