elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: deerne

deerne , deerne , (vrouwelijk) , jonge dochter.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
deerne , [meisje, ongehuwde vrouw] , deern , meisje, ongehuwd vrouwspersoon, ook Overijs. – Oostfr. deren dëren, dern = meisje, dochter, jonkvrouw, HD. Dirne, OHD. diornâ, thiorna, deornâ, theornâ, thiarnâ, diernâ, thiernâ, MHD. dierne, dirne; OSaks. thiornâ, thiernâ, thêrna, ONoorsch therna, Deensch terne, taerne. (v. Dale: deern (gewest.) jonge dochter, vrijster (dikwijls ook in verachtelijken zin; niet aldus in ’t Oostfr.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
deerne , dèrne , (vrouwelijk) , deerns , deern.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
deerne , deern , (v. Halsema) = een jong meisje, – Overijselsch deeren, Hoogduitsch Dirne = meisje, jonge dochter, meid. (Weinig meer in gebruik.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
deerne , deerne , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , deerns , deerntjen , jongedochter, meid
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
deerne , deern , deere, dirn , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wiijk, Werk, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Pols), deere (KRS: Lang, Coth, Werk, Scha), dirn (KRS: Wijk) jong meisje; ‘Dat is een leuke deere, daar zou ik wel eens mee naar de kermis wille.’ (Werk) Meervoud: derens (KRS: Werk; LPW: IJss, Bens, Lop, Pols); ‘de derens van Oskam’.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
deerne , deerne , deerntien , meisje (zonder minderwaardigheidsaccent).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
deerne , deerne , deerntie , meisje; * die deerne is met de konte op de loop: dat meisje gedraagt zich uitdagend.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
deerne , deerne , meisje. Gunninks woordenlijst van 1908: Een deerne òfrollen ‘met een meisje in het hooi liggen vrijen’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
deerne , deerne , deerntien , meisje. De oldste deerne helpt eur moe. En wie deu ons de deure lös toe wie der ankwamm? ’n Alleriewegst mooi deerntien.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
deerne , deern , zelfstandig naamwoord , de; meisje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
deerne , derke , derkes , meisje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
deerne , deerne , zie: meisien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
deerne , deern , deeren, deerne, deernchen, deernsjen, deerntie, de , 1.meisje; 2. dochter; 3. verloofde.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
deerne , derke , zelfstandig naamwoord , meisje (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal