elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dek

dek , dek , (onzijdig) , dek, deken.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
dek , dekke , (onzijdig) , dek, deken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dek , dek , Zegswijs: hij ’s ’n kerel an dek, eig.: hij is een echte zeeman; fig. = hij durft er wezen, hij staat zijn man, (en schertsend) ook met eten en drinken. Oostfriesch kerel up dek. Eigenlijk een zeemansterm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dek , dek , (onzijdig) , Stroo- of rietbedekking van een huis.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
dek , dek , (onzijdig) , Stroo- en rietbedekking van een huis.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
dek , dek , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: 1. Gezamenlijke dekens. | Ik hew tekort dek. 2. Dekkleed voor ’n dier. | Die koe loupt nag mit ’n dek. 3. Bedekking van stro, molm e.d. | De iresse lègge onder dek. Zegswijze al lang al onder dek lègge, reeds lang begraven zijn. – Hande boven dek (en fluite bloive), gezegd tegen een vrijer die (te) handtastelijk wordt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dek , dekken , rieten dak (zn.).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dek , dekkie , koedeken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
dek , dek , het , dekken , 1. (planken) bodem Ik moet een nei dek op de waogen maoken (Gie), Het dek van de brogge (Dwi), De schipper luip op het dek scheepsdek (Eco), Alle hens an dek (Ros) 2. bedekking Dei weg lig een slecht dek op wegdek (Bov), Oenze kiender mussen mit disse kolde meer dek op hebben beddegoed (Ruw), Wij hebt de neimelkte koe mar een dek opdaon (Pdh), Der zit een mooi dek op het hoes dakbedekking (Eex), Op dei beitenbult lig een goud dek op is goed afgedekt (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dek , dek , deksel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dek , dek , 1. dek; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: deksel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dek , dek , dekens. Wat heb iej ’n bult dek aover.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
dek , dek , zelfstandig naamwoord , et 1. dek, bedekkingslaag, bijv. van stro 2. dekens en lakens op een bed 3. matrasdek 4. dak 5. koedek, paardendek 6. rug van een koe 7. scheepsvloer, scheepszoldering
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dek , dek , dekens.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dek , dek , zelfstandig naamwoord , deksel (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dek , dèk , zelfstandig naamwoord , dèkske , WBD (Hasselt) paardedeken (tegen de regen of als het paard zweet); dèkske; verkleinwoord; dekje; WBD onderzadel (vilten of kussenachtig geheel dat onder het paardezadel ligt) (Hasselts woord)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal