elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: del

del , del , deel, deele , Duin en del vinden wy by de poëten, een del is in Bommelerwaard een landlaagte die ’s winters onder water staat en niet geboud wordt. Op de veluwe noemt men zulk een plaats ook del. Deel, op veluwe, de grond van het boeren achterhuis op welke gedorscht wordt en die niet geplaveid maar met Leem wel vast gemaakt is, in de huizen van arme luiden heeft men ook wel zulke vloeren die worden een deele-vloer genoemd. Ik meen dat men te groningen alle vloeren ook houten en geplaveiden deel noemt. Hier toe moet het woord delen zeker soort van planken mede behooren. In ’t Zutphensche zegt men het valt daal of het valt deel, dat is het valt op den grond. Deele is in Drenthe de dorschvloer van Leem gemaakt. Ik meen dat men in het naburig Graafschap Benthem den dorschvloer ook de delle noemt, al is dezelve met groote schone Benthemer steenen gevloerd, gelyk de deelen daar doorgaands zyn. Del is volgends ’t gebruik alles wat lager is dan de oppervlakte van een ding. Hy is pok dellig = bezet met pokputjes enz. Ik geloof ook dat men in Groningerland allerlei vloeren deelen noemt maar kan het niet zeker bevestigen. ’t Valt dale, deele wordt hier altoos gebruikt in den zin van ’t valt op den grond. Dalen schynt de wortel te zyn.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
del , del , (onzijdig) , morsig wijf, slet.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
del , del , voor kleine ronde laagte of klein del. Familie is delven, een graf maken, graven. Men zegt ook pokdellig voor pokdalig. Pokputten heet men pokdellen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
del , dellên , del’n , laagten, poelen, kuilen; kuiltjes, putjes. Van een stuk land dat uit laagten en kleine kuilen bestaat bezigt men de tautologie, tevens alliteratie: ’t bin altemoal dobben en dellen; ’n del, op de wang, enz. = een kuiltje door verzwering achtergebleven; zij het ’r hijle dellen van overhollen = zij is door de pokken geschonden; pokdellig = dellîg (= mottig in ’t gezicht) = pokdalig. (’t Gewone kuiltje in wang of kin heet steeds: koeltje of deukje, deuktje.) Kil. dellen (verouderd) = dalen; “En blasen over duin en del.” (Vondel) = over heuvels en dalen, hoogten en laagten. Middel-Nederlandsch delle, del. Middel-Hoogduitsch telle. Oud-Friesch del. Oud-Noorsch dael, Hoogduitsch Telle, Engelsch dell. Verwant met dal, laagte, del, delle, vallei (Verdam art. delle). Oostfriesch delle, dell’ = laagte, dal, kuil. Vgl. Dollert, en: dole.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
del , del , (onzijdig) , Slet. ’n Del van ’n meid, ’n smérig del.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
del , dule , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , De laagliggende, aan het water grenzende, slappe kant van een stuk land, die steeds aangroeit, en dus, om de sloot ruim te houden, een paar malen ’s jaars op het land wordt gehaald (de Wormer). Weinig gebruikelijk. ‒ Synon. del. || We moeten de dule weer ers ophalen. ‒ Vgl. Oost-Fri. dole, dolle, niederung, senkung, loch, sumpf, graben, grube (KOOLMAN 1, 310), Hindeloopens dolle, honk, meet, eigenlijk grensstreep (HALBERTSMA 707) Mnl. doele, grensgreppel, grensteken (Mnl. Wdb. II, 229); Vgl. doel. ‒ Zie duil II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
del , dil , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verdronken land, doch gewoonlijk in meer beperkte zin de lagere delen (dellen en greppels) van een stuk land, die ondergelopen en in smalle slootjes veranderd zijn (Westzaan, Krommenie). Vroeger liepen in de winter vele laagliggende stukken land onder en ontstonden er dus vele dillen; tegenwoordig is het waterpeil verlaagd. Te Krommenie heet zeker stuk land, dat gewoonlijk in een dil verandert, de Dil. || Dat land is ’s winters altoos ’en dil. Gaan-je mee wat schaatsenrijden op de dillen? – In de 17de e. komt dil ook voor in de zin van smal grensslootje, halmoer. || Tot die Royingh vande Noord-kant van Dirck Dircksz. Erf toe, wesende een Halmoer ofte Slootgen benoorden Jan Claes Janens Ven, Priv. v. Westz. 463 (a° 1642). – Verderop in N.-Holl. zijn vele door het onder water lopen van land ontstane meertjes, die del heten. Vgl. b.v. op de Kaart v.d. Uytw. Sl. 10 onder Broek op Langendijk ’t Suyderdel en Oosterdel, en onder Scharwoude Heinskendel. – Zie verder del II.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
del , del* , en dellen*, vergel. Engelsch dell = dal, kuil, hol; bij v. Dale: del, delle, delling (verouderd) = laagte, dal, vallei; naast het bijvoeglijk naamwoord “pokdalig” ook het zelfstandig naamwoord “pokdaal.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
del , del , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Laagte, inzinking; in een stuk land. Dikwijls oorspronkelijk een dichtgegroeide sloot. || Zijn land zit vol mit dellen. Mien-je (meent ge) dat stuk land, waar die del in zit? – Vgl. de samenst. Vogeldel, Zwartdel en Delkamp. 2) De laagliggende, aan het water grenzende, slappe kant van een stuk land, die steeds aangroeit, en dus, om de sloot ruim te houden, een paar maal in ’t jaar op het land wordt gehaald (de Wormer). Zie synon. op florswal. || De del moet nodig ers op’ehaald worden. – Delle, del, laagte, vallei, is thans in de algemene taal verouderd. Vroeger was het zeer gebruikelijk; zie Mnl. Wdb., KIL., Uitlegk. Wdb. op Hooft, enz. – In de zin van inzinking in een stuk land is het echter nog bekend in N.-Holl., Friesl., Oost-Friesl., Nederduitsl.; vgl. KOOLMAN 1, 289. – Zie verder op dil.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
del , del , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk en onzijdig) , – 1) Gemeen vrouwspersoon. || ’t Is ’en del. Je magge (moogt) je niet met die del bemoeien. – In de Middeleeuwen en de 16de e. komt dille voor in de zin van babbelkous; zie Mnl. Wdb. en KIL., en vgl. ons bedillen. In de 17de e. betekent het meisje in ’t algemeen (zijn liefste dil, een hupse dil; zie OUDEMANS, Wdb. op Bredero). Het woord had echter reeds in het Mnl. een ongunstige bijbetekenis (vgl.: “nachtraefkens lopen na lichte dillekens”), die de overgang vormt tot de tegenwoordige betekenis van het thans nog slechts gewestelijk voorkomende woord. Vgl. ook HALBERTSMA 643 op delleke. 2) onzijdig Vod, nietswaardig iets. || Een del van een hoed. ’t Hindert niet of-i nat regent, ’t is toch maar ’en del. Jasses, wat ’en del (van alle zaken, die oud en versleten, of zeer lelijk zijn)! – Vgl. het rijnpje: "’t Is ’t (hoedje) wel / Van Libbertje del!" (gezegd als men iemand met zijn eigendom wil plagen), Libbertje zal wel een persoonsnaam zijn; vgl. de vrouwennaam Lubbertje. Del heeft hier dus de bet. 1.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
del , dellĕ , dellĕchien , gat, kuil.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
del , del , (onzijdig) , Slet. ’n Del van ’n meid, ’n sm(i)erig del.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
del  , del , vies mensch, slordig, ook slons.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
del , delle , dille , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , delln , dellken , laagte in ’t land. dr is um n gat in de delle vùln, hij heeft een geldelijk verlies geleden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
del , dèl , m , viespeuk ’ne Smérdèl; vulen del viespeuk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
del , dèl , v , dèlle , dèlleke , meisje dat zich min of meer als ’slet’ gedraagt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
del , del , zelfstandig naamwoord de , Smerig of slecht wijf.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
del , del , zelfstandig naamwoord de , Dal, kuil, laagte in bouw- of weiland. Vgl. Fries delle.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
del , doil , zelfstandig naamwoord de , Langgerekte kuil in het land, laagte. Vgl. del.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
del , doelie , sloons, slet.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
del , del , delle , dellen , Ook delle (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = del, slet Een delle van een wief (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
del , del , delle , dellen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe met rekking). Ook delle (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën met rekking) = 1. laagte Ie kunt zovake aover dezölde stee varen mit de wagen, daj een delle aoverholdt (Ruw), Daor zit een delle in het dak (Bei), ...in het laand (Eri), ...in de weg (Man) 2. litteken Van dei snee het e ein huile delle in de wange overholden (Erf), Hij het dellen in het gezicht is pokdalig (Eel)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
del , delle , zie deuke
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
del , delle , dellechien , laagte in het landschap; dellechien, kuiltje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
del , dule , doele , zelfstandig naamwoord , de 1. langwerpige verlaging, kuil in een weg 2. lager gelegen maar droog stuk land 3. ingesleten gedeelte 4. lisdodde 5. zie koedulen, delle
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
del , delle , dule , zelfstandig naamwoord , de 1. laagte, lager gelegen gedeelte in het land, ondiepte, meestal met een natuurlijke oorzaak; waarschijnlijk soms ook gegraven, dan vaak: het restant van een oude sloot 2. verzakking, laagte in grond, weg, in een dak, van een rug e.d. 3. kuilvormig litteken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
del , del , zelfstandig naamwoord , delle , dellechie , [O] 1. morsige vrouw 2. vod Ze had een del van een jurrek an Zij droeg een vod van een jurk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
del , dèl , 1. laagte, 2. ven
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
del , delle , (zelfstandig naamwoord) , del, vrouw van lichte zeden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
del , delle , (zelfstandig naamwoord) , deuk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
del , dèlleke , vies, zedeloos meisje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
del , del , delle , 1. laagte in het landschap, dal; 2. gat in de weg.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
del , dèl , doel, doelie , zelfstandig naamwoord , man met vieze praatjes (Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk); doel; jonge vrouw (Land van Cuijk); doelie; slordige vrouw (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
del , dèl , zelfstandig naamwoord , "viezerik; N. Daamen - Handschrift 1916 – ""del - ge bent 'ne viezen del (vuile man, jongen); WBD III.2.2:113 'del' = zedelijk slecht meisje; WBD III.4.4:145 'del' = dal; Hees flauwen dèl (VII:21); 'Luilebol' blz. 38: meisje ... (< bedillen); WNT DEL (II) - slonzige vrouw, slons, sloerie, slet; MNW DELLE Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
del , del , slons
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal