elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dikoor

dikoor , dikoor , zelfstandig naamwoord , de bof (oorziekte).
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
dikoor , dikoor , de , (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) = iem. die slecht luistert Die muj twei keer wat zeggen en een lap um de oren geven. Het is een echte dikoor (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dikoor , dikóór , bof , Kénder kriige óp zun'nen tiid dikóór én dé's niks bezunders t’is gewóón 'n kénderziekt. Kinderen krijgen soms de bof en dat is niets bijzonders het is gewoon een kinderziekte.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
dikoor , dikoor , zelfstandig naamwoord , bof (kinderziekte) (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dikoor , dikoor , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.2:283 'dikoor' = bof (parotitis epidemica)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal