elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dirk

Dirk , Dirk , mansnaam. – Blinde Dirk, ketelkoek; zie op blind. – Slappe Dirk, dunne brij. || We eten slappe Dirk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dirk , dirk , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Op een schip. Het touw, dat van de top van de mast loopt naar het uiteinde van de giek, en waarmede de giek op- en neergehaald wordt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dirk , dirk , m , d’n dirk de directeur.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
dirk , dirk , zelfstandig naamwoord , directeur. De directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek St. Adrianus in de Bloemenstraat, de heer Vonk dus, werd door de boeren en het personeel altijd “d’n dirk”genoemd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
dirk , dirk , zelfstandig naamwoord , directeur (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dirk , dirrek , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen: den dirrek - de directeur; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – drik - directeur
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal