elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: does

does , doeske , doezeltje , dutje, korte slaap, vooral voor middagslaapje; noa ’t eten dou ’k altien ’n doeske; doesken = sluimeren. Oostfriesch dûsk, dûsken = slaapje; dûsken = sluimeren; indûsken = insluimeren; Deensch dösig = slaperig, mat; Zwabisch dosen = in slaapdronken toestand zijn, sluimeren, dutten; Schotsch to dozen, dazen = dommelig maken, doen inslapen. Oudtijds: dosen = verdooven, en: duizen = draaien; Oud-Friesch dusia = bedwelmd zijn, duizelen, Oostfriesch dusen, duselen; Deensch dos = droomerige toestand.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
does , does , zacht, liefelijk, aangenaam, ter onderscheiding van: hard, schel, als van een metaalklank: dei pioano klinkt does = het ’n doeze klank. ’t Fransche douce = zacht.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
does , dus , Dof, slaperig. Ik schei ü̂t met lèzen; ’k bin zoo dus.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
does , dus , Dof, slaperig. Ik schei ü̂t met lèzen; ’k bin zoo dus.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
does , does , soort hond.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
does , doest , doeste , zelfstandig naamwoord , de; klap, stoot, stevige por
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
does , doesje , zelfstandig naamwoord , hondje, ook als koosnaam voor kindjes (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
does , does , zelfstandig naamwoord , hond (in kindertaal); WBD (III,2.1:476) does = hond, ook 'hundje'; Cornelis Verhoeven: DOES m., oud en kinderlijk woord voor hond: doe 't doesje mèr èèje. A.P. de Bont: does zelfstandig naamwoord. m. 1) hond (kindertaal,); 2) de verbinding 'ene röwen does' wordt van een persoon gebezigd die slordig is op zijn kleren en in zijn werk.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal