elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doezelen

doezelen , duzzelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Soezen, in een soes bezig zijn, verkeerd doen. || Och wat duzzel je weer, kijk dan toch wat je doene. ‒ Vgl. duzzel, duzzelig, geduzzel. ‒ Het woord is verwant aan duizelen; zie verder over de verwante woorden FRANCK 216 vlg.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
doezelen , doezen , toestand van half slapen, half waken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
doezelen , doezen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = suffen, dommelen Scheet is wat op, wat zit ie daor wèer te doezen (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doezelen , doesteren , sluimeren. IJ ef wat edoesterd ‘hij heeft een beetje gesluimerd’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
doezelen , doezen , werkwoord , sluimeren, een beetje slapen, knikkebollen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doezelen , dóézele , dommelen, sluimeren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
doezelen , droezele , sluimeren
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
doezelen , droezele , werkwoord , sluimeren, dommelen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal