elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doezig

doezig , dûzig , (bijvoeglijk naamwoord) , slaperig.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
doezig , doezîg , duizelig; bovendien in ’t Oldampt en Westerwolde ook = koppig, en doeskop, doesnakke, vooral schimpwoord voor een kind dat niet mee wil doen en zoodoende spelbreker is; bedoesd wezen = beteuterd, den schijn hebben van bedwelmd te zijn; bist bedoesd? = suft gij? scheelt u ’t daar boven? Marken beduusd = in de war; Geldersch bedoesd = beteuterd; Stadsfriesch beduusd = ontsteld. Ditmarssum daesig = dommelig, duizelig; Nedersaksisch düsig, dösig, Oostfriesch dusig, en: bedusd = bedwelmd; Holsteinsch düsig = duizelig, waggelend; ook = stompzinnig, verward van zinnen; dösigkeit, döseree, döserei = gebrek aan verstand en opgewektheid, achteloos; dusig, düsmig = duizelig, bedwelmd; Oud-Friesch dusig = duizelig; Deensch dösig = gedachteloos, suffend, Angel-Saksisch dysig; Hoeufft: duizig = duizelig, en ook = verstomd en suffend; Kil. deusigh, duysigh = duizelig; daesen = aan waanzin lijden; West-Vlaamsch deuzig, dozig = bedwelmd, verbluft, bijster. (De Bo). Middel-Nederlandsch dosich, dosech = duizelig, suf, bedwelmd. (Verdam). Zie ook: doeskop, en vgl. diezîg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
doezig , doezeg , bijvoeglijk naamwoord , murw, zacht (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal