elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dokkelen

dokkelen , dokkele , werkwoord , pootje baden. Dokkele kon je, toen het water nog fris en helder was, in “De Stròòm”, de vennekes en zelfs in het “Modderstrumke”dat tussen Café De Hemel en Café van Dal onder de Tilburgseweg doorgaat. De bloeiende zwemvereniging De Dokkelaers is naar deze zeer elementaire watersport genoemd. Ze zou eigenlijk Dokkelèèrs moeten heten ...
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
dokkelen , dokkele , werkwoord , pootjebaden (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dokkelen , dòkkele , zwak werkwoord , dòkkele - dòkkelde - gedòkkeld , "pootjebaden; (B) duikelen; – Meej schôon weer gingeme dòkkele in de Laaj. Bij mooi weer gingen we pootje baden in de Ley. Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - En weet ge, wat de schavuit had uitgevoerd? Hij was liefst gaan “dokkelen"" in het Bax-ven, en had bij Mie in den Baars een glas melk gedronken en den vos in de kooi bewonderd en de kauwen op het dak. (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904); N. Daamen - Handschrift 1916 – ""dokkelen - met de bloote voeten door het water loopen""; Kees en Bart: 'as 't blank stao moete dokkelen'; Piet Heerkens –; STERKE VROUW; Ziede gij daor dè weuwke gaon?; Ze hee d'r witte klumpkes aon. Ze staawt nog stevig deur de sneuw; al is z'al ruim 'n halve euw. D'r muts is sneuw, d'ren rok is roet; d'ren maantel, jao, die stao se goed. Ze dokkelt nog zo dapper deur; 't is nog 'n kraachtig wijfken, heur!; Uit: De Mus, Piet Heerkens; Tilburg 1939; Cees Robben – Enkel kender in de Laai/ Dokkelen wè in d’n braai (19570704); Cees Robben – Ik zèè mee m’n mokkel in de Laai wiste dokkele... (19850607); Cees Robben – Gaode zwemme, Naris... / Zwemme... / Ik kan nog mar aamperkes dokkele... (19610630); Henk van Rijen: dur et slèèk dòkkele - door de modder lopen; Pierre van Beek: dokkelen, verband met 'dokkeren'? Klanknabootsing?; Elie van Schilt - Bekaant tegen Lòòn op Zaand lagen de plakken, ok wel genoemde ut Lons Laaike, ut waren verschillende plaassen, rondom groeide er haai, daor gingen we 's zomers ok wel dokkelen, zwemmen konde er nie, ut was te ondiep. (Uit: ‘Tilburg waor zen oe bossen’; CuBra ca. 2000); Ed Schilders – Tilburg aan de Ley (Het lied van Peerke Donders; uit de Tilburgse Revue 'Gloria Historia', 2009): Ja, ik heb in Suriname heel m’n leven hard gewerkt; Tussen lepra en melaatsheid, tussen ziekenhuis en kerk; Het was uit naastenliefde, en het was een hels karwei; En ik droomde écht waar élke nacht… van Tilburg aan de Ley. Bij het laatste zonlicht las ik vaak een stuk uit mijn brevier; Of ik bad een rozenhoedje in mijn boot op de rivier; Dan stroomde traag de Coppename links en rechts voorbij; En dan dacht ik bij m’n eige: Kijk, ’t water van de Ley. Ik zag ziekte, dood, dag in dag uit, ellende, slavernij; En dan smeekte ik ‘Wi Tata’ - Onze Vader, maak ze vrij; Wat zou ik dan nog treuren om mijn schaapjes op de hei; Maar ik wou nog één keer dokkelen in’t water van de Ley!; Refrein; Dit maakt me blij! – Dokkele in de Ley!; Dit maakt me vrij! – Dokkele in de Ley!; Nee, ik ben nooit meer teruggekeerd, ik had het veels te druk; Met verzorgen van melaatsen, en hun vleugje klein geluk. Ik kan niet t’rug en daarom maakt dit water mij zo blij; Dat ik hier nu kan staan dokkele in’t water van de Ley. Dialectenquête 1876 - Hij dokkelt in de Laai - baadt in de Lei; Stadsnieuws: In de vekaasie fietsteme nòr Esbeek om te gòn dòkkele in de Flaos. (151210) - In de vakantie fietsten we naar Esbeek om te gaan pootjebaden in de Flaas. Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – dokkele - pootje baden; A.P. de Bont: zw. ww. intr. I gezegd v. geluid door stoten op straatstenen; II. teuten,'kloten', niet vooruit kunnen. Jager DOKKELEN - dokken - beide heeft Kil. voor duikelen, duiken: zie ook Ten Kate II 172. In De Jagers citaat betekent 'dockelende' bukkende of duikende. Cornelis Verhoeven:  DOKKELEN onov. ww. - wat onhandig en onzeker lopen, gezegd van kinderen en van mensen die zich over een slechte weg, bv. door de modder te voet voortbewegen. Ook: pootjebaden. De Bo DONKELEN = duiken; De Jager - wdb. Frequentatieven - DOKKELEN - dokken: Beiden heeft Kiliaan voor 'duikelen, duiken'. A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - DOKKELE- pootjebaden (midden v. nbrab.) Mogelijk iterativum bij 17e-eeuws dokken 'duiken' (of 'doen duiken'?); WBD III.1.2:160 'dokkelen' = waden; WBD III.1.2:161 'dokkele' = pootjebaden; WBD III.4.4:185 'dokkelplaats' = doorwaadbare plaats"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal