elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: donderschoer

donderschoer , donderschoer , dunderschoere , zie: schoer. – In de Ommel. (Gron.) dunderschoer, Old. Westerw. grommelschoel = donderbui.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
donderschoer , dunderschoer , donderbui. Kil. donderschore = bliksem. Middel-Nederlandsch donderscure, Middel-Hoogduitsch donerschûr, Hoogduitsch Donnerschauer. Donderbui. (Verdam). Zie: dundergoot.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
donderschoer , dunderschoer* , Hoogduitsch Schauer = vlaag, Engelsch shower: “schoer” = onweersbui, in vele provinciën gewestelijk, ook bij v. Dale vermeld.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
donderschoer , doonderschůůr , [dōndәrsxůr] , onzijdig , donderbui
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
donderschoer , doondrskoer , zelfstandig naamwoord , doondrskoers , doondrskoerkn , 1 donderbui, 2 plant: hanepoot
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
donderschoer , donderschoer , v , onweersbui.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
donderschoer , dóndersjoe:r , onweersbui met veel regen en wind.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
donderschoer , donderschoer , onweersbui; * hi mäk van ’n dreet een donderschoer: hij maakt van een mug een olifant.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
donderschoer , dunderschoer , de , (veroud.) = donderbui Der kwamp een dikke donderschoere opzetten, mar hij gunk oons gelukkig veurbij (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donderschoer , donderschoer , onweersbui. zie ook schoer. ’t kwam as ’n donderschoer, het kwam erg onverwachts.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
donderschoer , dónderschoer , plensbui , Giestere viel'ler 'n dónderschoer ge haauw'wet nie vur meugelek zóveul wôtter. Gisteren viel er een plensbui, je houdt het niet voor mogelijk zoveel regen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
donderschoer , donderschoere , donderschere , zelfstandig naamwoord , zie ook rommelschore de; onweersbui, onweerswolk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
donderschoer , dônderschoewer , onweersbui
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
donderschoer , donderskoewr , zelfstandig naamwoord , onweersbui (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal