elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: donker

donker , dōnkêrn , schemeravond; tegen dōnkern thoes komen = te huis komen als het nog licht is, tegen den donker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
donker , donker , (dnkər) , (zelfstandig naamwoord onzijdig en mannelijk) , Duisternis. Zie de wdbb. || De doncker heeft ons overvallen, SOETEBOOM, S. Arc. 676. – In donkers, in het donker, in de duisternis. || Ze is bang in donkers. Zegsw. Geld hoort in donkers, geld behoort men in het donker te laten, weg te sluiten; gezegd als iemand zijn geld laat slingeren, of telt als anderen er bij zijn. – Men zegt ook: Geld en billen in donkers.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
donker  , dônker , donker.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
donker , doonker , donker
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
donker , donkere , donkerte , m , donker In d’n donker(t)e In het donker.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
donker , dóngker , niet of weinig verlicht.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
donker , dònker , zelfstandig naamwoord , donker. Denk eròm mèdje dègge vur d’n dònkere thùis moet zèn (voor het donker). Het onzijdige Nederlands wordt in het Biks mannelijk.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
donker , donker , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. donker Wat heb ij donker goed an, ij bint toch niet in de rouw? (Sle), Wij doet het locht op, het wordt donker (Bui), Wat kiks do jao donker oet, do bist, dunk mij, niet arg in dien humeur (Scho), Wat kik die meid donker, mar zij hef ook zokke donkere ogen (Rui), Bij donkere maone gaow ’s aovends niet vurt rond nieuwe maan (Ruw), Bij donker maon hej vaok minder weer as bij locht maon (And), zie ook maon 2. slecht, duister Het zut er donker veur hum uut (Klv), Wat hej toch donker locht slecht licht (Hol), Het bint donkere tieden (Zwe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donker , donker , het , donker IJ moet veur het donker weer in hoes wezen (Oos), Hij knip de kat in het donker (Uff), Wij waren laete en kwamen bij donkern weer (Wap), In het donkern begunt de oel te vliegen (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donker , donkere , vèur d’n donkere thuis zèn, voordat het donker is moet je thuis zijn.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
donker , donker , donker. Wöör ’t kump is ’t ook donker (gezegd als iemand zijn neus ophaalt voor eten dat volgens hem/haar onsmakelijk is)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
donker , dónkere , duisternis , Mi d’n dónkere zoow ik mér'res zien dé'k thûis was, wa duu'de dan toch nog bûite? Tegen de duisternis zou ik maar eens zien dat ik thuis was, wat doe je dan toch nog op straat?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
donker , donker , zelfstandig naamwoord , et; duisternis, donkerte
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
donker , donker , bijvoeglijk naamwoord , 1. donker, duister 2. somber, niet rooskleurig, niet gunstig, niet hoopvol (achten) 3. bijna zwart van kleur 4. somber ogend, klinkend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
donker , dônkere , in dun dônkere , donker (in het)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
donker , dónker , 1. donker, duisternis; 2. donker, duister , Én vur d’n dónkere thuis! En voor het donker thuis!; De dónkere dâg vur kérsmus. De donkere dagen voor Kerstmis.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
donker , doenker , donker; doenkere maon, nieuwe maan.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
donker , donkere , zelfstandig naamwoord , duisternis (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
donker , dónkel , dónker , dónkel(d)er, dónkelste , donker , Waat kiektj dae mins toch dónkel.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
donker , donkere , donkerte , zelfstandig naamwoord , 1. zelfstandig naamwoord: de duisternis, de avond, het donker; Cees Robben: Vur den dónkere teus!; Henk van Rijen: 'Ge wit dè ge vur den donkerte töös mot zèèn, war?'; Henk van Rijen: 'Wè zit te daor tòch òmmol in den donkerte?' Wat zit je daar in het donker; Cees Robben – As hier elken hellige z’n lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in d’n donkere... (19661202) [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]; GD94 Ik kwaam in den donkere wir tèùs; Frans Verbunt: ik zie in den donkere nèt zo goed as zonder licht; …dè deeje fetsoenleke jongens en mèskes nie, die waare vur den donkerte tèùs. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007); Piet van Beers – ‘Gin strôom’: dan zitte we ammòl tegelèèk/ in den donkere meej z'n alle. (Spoeje doemmeniemer; 2009); A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord.m. 'donkere' - duisternis:'veur den donkeren thous zen'; Goem. in den dungkere; vé den dungkere; van den dungkere. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DONKERE zelfstandig naamwoord.m. - het donker, de duisternis; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – 'donker' zelfstandig naamwoord donker: vur d'n donkere thuis!; Frans Verbunt: het invallen van de duisternis; WNT DONKERTE - l) duisternis, 2) donkere plek, plaats; 2. werkwoord, zwak; donker worden; 't Begon stillekes aon te donkeren. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
donker , donker , bijvoeglijk naamwoord , donker; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zó dónker as et bakkes van de hèl ('31); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Onze Lieve Vrouw stao int dónker ('73) -men zit er krap bij; WBD III.2.3:190 'donker brood' = zemelenbrood; WBD III.4.4:2 'donkere maan' = nieuwe maan; WBD III.4.4:16 'donker'= bewolkt; WBD III.4.4:238 'donker worden' = schemeren
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal