elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doordrijver

doordrijver , duurdriewr , zelfstandig naamwoord , drevel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
doordrijver , deurdriever , de , doordrijver Dat is een deurdriever, die gef zuk niet gauw gewunnen (Odo), De neeie domeneer preekt wel good, mor het is wat een deurdriever (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doordrijver , durdriiver , dwingeland , N’n durdriiver wul geliik hébbe, 't zal moete gebéúre zóó lék héij 't vur hi. Een dwingeland wil gelijk hebben, het zal moeten gebeuren zoals hij het wil hebben.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
doordrijver , deurdriever , zelfstandig naamwoord , de; doordrijver, doordrammer; ook wel positief: doorzetter, iemand die niet snel opgeeft
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doordrijver , deurdriever , (zelfstandig naamwoord) , doordrijver.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
doordrijver , durdreever , zelfstandig naamwoord , dwingeland (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
doordrijver , [stijfkop] , doordriever , (mannelijk) , stijfkoppig persoon
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal