elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dorus

Dorus , Dorus , mannennaam, in de zegswijze ’n zachte Dorus, een zachtaardige, onmannelijke persoon.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Dorus , Dòrres , eigennaam , Dorus. Ook: Tirres. Van Theodorus. Tirres van Gèèstel dè waar ’ne fietsemaoker in de Doelestraot. Vrouwen heten Dora of Theera.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
dorus , doeres , zelfstandig naamwoord , onnozel persoon (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dorus , [sufferd] , doeares , (mannelijk) , sufferd , Doe bès mich einen doeares, man.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal