elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: draaibord

draaibord , drèeibord , het , 1. draaibord Op de schoele hadden wij eerst schoefborden, mor later dreiborden (Pes) 2. draaischijf De lorries mut drèeid worden op een drèeibord (Geb) 3. pronkerig schepsel (dk:Zuidwest-Drenthe, zuid) Doe dekselse dreeibördtien ... staoj weer veur de spiegel te kieken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
draaibord , dri’jbod , zelfstandig naamwoord , et; elk der twee planken van het draaiwerk van een ouderwetse boerenwagen waarmee dri’jschammel en veurstel draaiende bewegingen ten opzichte van elkaar maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
draaibord , [besluiteloos iemand] , dreibord , iemand die steeds van mening verandert (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
draaibord , drèèjburd , zelfstandig naamwoord , onrustig persoon, verwaand meisje (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
draaibord , draajbòrd , zelfstandig naamwoord , "Van Beek - ""'t Is een draaibord"" - Hij waait met alle winden. - Hij huilt met de wolven, waarmee hij in 't bos is. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal