elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drab

drab , drab , zelfstandig naamwoord ’t , Het, de drab.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
drab , drabbik , naten drek.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
drab , drabs , drabse , (Veenkoloniën, Midden-Drenthe). Ook drabse (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. blubber (Midden-Drenthe) Wat een vieze drabs (Hoh) 2. gezicht (Veenkoloniën) Most mooi oppassen, aans za’k die ain diesel veur dien drabs geven klap in het gezicht (Vtm) 3. in Het is zo gaar as drabs (And), ...zo zoer as drabse (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drab , drab , het , drab Drab is natte, kleffe rommel, modder, etc. (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drab , drabse , drab, drabbe , zelfstandig naamwoord , de; vieze, natte, modderachtige substantie
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drab , drab , modder
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
drab , drap , zelfstandig naamwoord , koffiedik (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
drab , drab , zelfstandig naamwoord , WBD III.4.4:l68 'drab' = modder, slijk; 236 'drabbig' = troebel; WBD III.2.3:267 'drab' = droesem (bezinksel in wijnfles); WBD III.2.3:276 'koffiedrab' = koffiedik
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal