elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drel

drel , drel , m , natte, sladderige viezigheid
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
drel , drelle , ingewanden De drelle honge d’r uut. De ingewanden hingen er uit. [Box]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
drel , drel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. sterk gedraaid (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Dat touw is aordig drel (Vle) 2. flink (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het ol mensch is nog aordig kregel, het lop nog zo drel (Vri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drel , drel , de , drellen , Rekking in Kop van Drenthe = 1. opdraaiing in touw of garen Der zit een drel in het touw (Sle) 2. gedraaid garen (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) De liestervangers meuken drellen van peerhaor (Eex), An een liesterstrik zitten twei drel (Row) 3. eigenwijs persoon (Zuidoost-Drenthe) Wat een drel van een wicht is dat (Sti), zie ook dril
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drel , drelle , lichtzinnig meisje. ’t Is zo’n drelle van ’n deerne, löp met alle vente mee.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
drel , drel , drillen , zelfstandig naamwoord , de; lijsterstrik van ineengedraaid paardenhaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
drel , drel , drelle , 1. lichtzinnig meisje; 2. slordige, vuile vrouw; 3. vieze doek; drellerig, manziek.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
drel , drel , zelfstandig naamwoord , viezigheid (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
drel , drèl , zelfstandig naamwoord , dril, geleiachtige substantie; Cornelis Verhoeven:  DREL (drèl) m, dril, geleiachtige substantie
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal