elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drentelen

drentelen , drenteln , zwak werkwoord, onovergankelijk , drentelen Wat hej toch te drenteln, kuj het ei neeit kwiet? (Gas), Hie löp aal hen en weer te drenteln (Sle), En dan staot ze um je toe te drenteln. Daor kriej wat van (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drentelen , drentelen , talmen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
drentelen , drantele , werkwoord , drantel, drantelde, gedranteld , drentelen, niet kunnen stilstaan De jonges hadde deur de errebeeze gedranteld De jongens waren door de aardbeien gedrenteld Zie ook fietele, dêêmele
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
drentelen , drèènzele , werkwoord , sukkelen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal