elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dries

dries , dries , wordt alhier genaamd het met gras bezette land in het gemeen, en in het bijzonder dat, welk binnen eene boerenhofstede besloten of nabij dezelve ligt.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
dries , dres , (vrouwelijk) , dressen , een stuk uitgebouwd land waarop weinig meer dan onkruid groeit en dat aan eenige weinige paarden tot weide dient; door het te bemesten, en met klaver- of graszaad te bezaaijen poogt men het te verbeteren.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
dries , drins , den derden keer; alleen in: ins-twins-drins! Zie: ins.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dries , dres , (zelfstandig naamwoord mannelijk (?)) , Bouwland, dat braak ligt en zolang tot weide dient, meest voor paarden en schapen. || Stuur de peerden maar in de dres. ‒ Evenzo in Waterland en W.-Friesl. en, althans vroeger, ook in Kennemerland. || Voorts dat men geen Paerden sullen kuyeren op eenige Dijcken, ten waer dat hy daer Dresschen by hadde, op de boete van 3 stuyvers, (Akersloot, a° 1661), LAMS 481; zie ook 480, 482, 488. ‒ Vgl. ROEMER VISSCHER, Brabbelingh (ed. 1669) 68, 33: “De goede Jan heeft twee Jaer geweest van huys, sijn landt leydt ter Dresch ... daer is niemant die sijn Acker wil bouwen ter noot.” ‒ Zie HADR. JUNIUS, Nomencl. 249b: “ager novalis, novale, vervactum. Al. brach acker so man das ein jar umb das ander seyhet, B. dreslant, lant dat dres leyt.” KIL. heeft: “dres, dres-land, Holl. j. dries” en “dries, dries-land, dres, dres-land, ager novalis, novale, vervactum; ager pascuus.” ‒ Dries is vooral in Z.-Nederl. nog een zeer algemeen woord. Zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dries , dres , zelfstandig naamwoord de , 1. Bouwland dat pas is ingezaaid en weiland moet worden. 2. Verarmd of braakliggend land dat tijdelijk tot weide dient voor o.a. schapen en paarden. Vandaar samenstellingen als skeipedres en peerdedres. Mogelijk is dres verwant met drie, d.w.z. een derde deel van het bouwland dat gedurende een periode van drie jaar niet werd omgeploegd. Zie voor het Nederlands de vorm ‘dries’ in het N.E.W.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Dries , Dries , mannennaam, in de zegswijze ’n drouge Dries, een nuchtere, saaie, fantasieloze vent.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dries , dries , wei of grasveld dat vlak bij huis ligt en vaak als bleek wordt gebruikt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
dries , dreske , de , (Ros). Ook dresk (Zwin) = 1. stuk groenland dicht bij huis (Ros) 2. dorsplaats (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dries , dries , weiland, aan de boerderij grenzend.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
dries , dries , huisweide , D’n dries is 'n waoj die vlak bè't hûis li, ze joege'ner van alderhande biste in. Un huisweiland is een weiland bij de boerderij, men deed er allerhande vee in.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
dries , dries , weiland
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
dries , dries , 1. stuk weide aan het huis, 2. grasveld bij het huis waar vroeger de was op werd gelegd om te bleken (wit/helder worden)
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
dries , [sukkel] , drees , sukkel; malle drees, malloot; kouwelijke drees, koukleum (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dries , [kaam] , dries , 1. kaam, substantie die bovenop de ingemaakte groente kwam te staan; 2. braakliggend stuk grond.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dries , driest , dries , 1. braakliggend land, woeste grond; 2. schraal grasland; 3. pijpenstro (molinia caerulea).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dries , dries , zelfstandig naamwoord , grasveld bij het huis (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; West-Brabant; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
dries , drees , (mannelijk) , braakliggende grond
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
dries , dries , zelfstandig naamwoord , WBD weide, grasland; (Hasseltse term); Hoogen dries - topon. Pierre van Beek: Den dienen hèbben ze nòr den Hoogen Dries gebròcht - die hebben ze in ongewijde grond begraven (nl. op de algemene begraafplaats aan de Oisterwijkse baan, nabij het Heuvelse kerkhof). (Tilburgse Taaklplastiek 154); WNT DRIESCH - l)verarmd bouwland; 2) braakland; enz. z.a. A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - dries - dicht bij de woning gelegen weide; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DRIES zelfstandig naamwoord. m. - weide, dicht bij de woning gelegen. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DRIES wordt, in de Baronie, genaamd de grond in het gemeen, en het met gras bezette land in het bijzonder, 'twelk binnen eene boerenhofstede besloten is. Z.a. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - DRIES: Een stuk weiland het geen bij het huis of tusschen de akkerlanden ligt, dus een hoog stuk weiland. Zie Kiliaan. A.P. de Bont: dries zelfstandig naamwoord. m. - (in de regel) dicht bij de woning gelegen hoog stuk weiland.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal